KNMG-standpunt Nul is de norm
Standpunt over de norm voor artsen wat betreft het drinken van alcohol en het gebruik van psychoactieve middelen voor en tijdens werktijd.
Inleiding
De KNMG maakt zich sterk voor de kwaliteit van de medische beroepsuitoefening. Hiervoor is het onder andere belangrijk dat artsen fit to practice zijn, zodat zij hun beroep vakkundig, effectief en veilig kunnen uitoefenen. Dit is een eis die voortvloeit uit de plicht van goed hulpverlenerschap. In het kader hiervan moeten artsen niet alleen hun kennis en vaardigheden op peil houden, maar ook zorgdragen voor hun eigen gezondheid en welzijn. Het KNMG-standpunt Nul is de norm beschrijft de norm voor artsen wat betreft het drinken van alcohol en het gebruik van psychoactieve middelen vóór en tijdens werktijd. Een lang bestaande ongeschreven regel in de medische beroepsuitoefening wordt hiermee expliciet vastgelegd. De norm in dit standpunt geldt voor alle artsen en coassistenten die patiëntgebonden werkzaamheden uitvoeren.
Leeswijzer
Dit standpunt heeft drie hoofdstukken Hoofdstuk 1 gaat in op de actuele wet- en regelgeving rondom middelengebruik. In hoofdstuk 2 wordt het standpunt beschreven. Hoofdstuk 3 geeft een nadere uitleg over het standpunt.
1. Huidige wet- en regelgeving omtrent
middelengebruik In de westerse samenleving maakt alcohol onderdeel uit van het sociale leven. Tijdens het avondeten, op feestjes en bij andere sociale gelegenheden wordt regelmatig wijn en bier geschonken. Alcohol staat voor velen voor gezelligheid. Ook het gebruik van bepaalde psychoactieve middelen wordt sociaal geaccepteerd. Maar hoe verhoudt middelengebruik zich tot werken? Welke regels zijn er ten aanzien van het drinken van alcohol voor en tijdens werk? En welke regels gelden voor artsen in het bijzonder?
Arbowetgeving
In de Arbowet staat dat de werknemer zodanig op het werk moet verschijnen, dat hij de werkzaamheden die van hem verwacht worden, op een goede en veilige wijze kan uitvoeren. Ook staat in de Arbowet dat onveilige situaties, bijvoorbeeld als gevolg van middelengebruik, moeten worden vermeden. Verder stelt het Burgerlijk Wetboek dat een werknemer op staande voet ontslagen kan worden als hij zich overgeeft aan dronkenschap en ander liederlijk gedrag (artikel 7:678 lid 2 onder c Burgerlijk Wetboek). Aan dit ontslag zijn wel beperkingen verbonden: de werkgever moet een duidelijk en kenbaar alcohol- en drugsbeleid hebben en zowel de werknemer als de werkgever moeten – als er sprake is van een verslaving – aantoonbaar moeite hebben gedaan om deze verslaving te beëindigen.
Alcoholverbod bij andere beroepsgroepen
Voor sommige beroepsgroepen is alcoholgebruik op het werk verboden. Zo mogen piloten en cabinepersoneel vanaf tien uur voor de vlucht geen alcohol nuttigen. Hierop kunnen zij getest worden.1 Verder staat in de luchtvaartwetgeving dat piloten en ander boordpersoneel geen werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig mogen verrichten als zij onder invloed zijn van bepaalde stoffen. Daarbij gaat het om stoffen waarvan zij weten, of redelijkerwijs moeten weten, dat het gebruik ervan de vaardigheid om die werkzaamheden te verrichten kan verminderen. Ook voor andere beroepsgroepen, zoals militairen en politieagenten, is het gebruik van alcohol en psychoactieve middelen tijdens het werk verboden. In al deze beroepsgroepen wordt zeer verantwoordelijk werk verricht, waarbij het maken van fouten grote gevolgen kan hebben voor de veiligheid van anderen.
Voor artsen ontbreekt wet- en regelgeving
Voor artsen bestaat er geen specifieke wet- en regelgeving voor het gebruik van alcohol en psycho-actieve middelen vóór en tijdens het werk.2 Ook expliciete veldnormen ontbreken. Bij artsen in loondienst heeft een aantal werkgevers, zoals het UMCU, het AMC en het Erasmus MC, een zogenoemd alcoholen drugsbeleid ingevoerd. Het AMC stelt het volgende: ‘Drinken of onder invloed zijn van alcohol of drugs is niet toegestaan onder werktijd. Er is hier geen promillage-regel zoals in het verkeer. In het AMC ligt de grens dus bij nul. Een paar glazen tijdens een receptie is geen probleem, mits de medewerker daarna niet meer aan het werk hoeft.’3 Ook andere instellingen onderschrijven deze norm. Artsen verrichten zeer verantwoordelijk werk, waarbij de patiëntveiligheid moet worden gewaarborgd. De KNMG vindt het daarom belangrijk om binnen de beroepsgroep expliciete afspraken te maken over het gebruik van alcohol en psychoactieve middelen door artsen en coassistenten.
1.
Artikel 2.12 van de Wet luchtvaart.
2.
Hendriks A. Mag ik als arts een glaasje drinken? Ned Tijdschr Geneeskd. 2016;160:B1347.
3.
AMC. Alcohol en drugs. De regels van het AMC. Amsterdam; 2010: p. 4.
2. Het standpunt
Het uitgangspunt van de KNMG is dat artsen hun werk nuchter moeten verrichten. Onder nuchter verstaan wij dat er geen sporen van alcohol of psychoactieve middelen in het lichaam aanwezig mogen zijn. Dit betekent het volgende: u Een arts of specialist die op reguliere tijden en tijdens aanwezigheidsdiensten4 werkzaam is, moet voldoen aan de nulnorm en is volledig nuchter. u Een arts of specialist die bereikbaarheidsdienst5 heeft als eerste aanspreekpunt, moet voldoen aan de nulnorm en is volledig nuchter. u Een arts of specialist die bereikbaarheidsdienst heeft als tweede aanspreekpunt, moet voldoen aan de verkeersnorm als het gaat om alcohol en aan de nulnorm als het gaat om psychoactieve middelen.6
4.
Tijdens een aanwezigheidsdienst is de arts altijd fysiek aanwezig op werkplek.
5.
Bij een bereikbaarheidsdienst is de arts niet fysiek aanwezig op de werkplek en kan hij eerste of tweede aanspreekpunt zijn.
6.
Deelname aan het verkeer met een promillage hoger dan 0,5 promille is verboden.
3. Nadere uitleg standpunten definiëring
van begrippen In principe geldt de nulnorm: het gebruik van alcohol en psychoactieve middelen is niet toegestaan wanneer artsen werkzaamheden verrichten.7 Met psychoactieve middelen bedoelen we de middelen die vermeld zijn op lijst I en lijst II van de Opiumwet en lijst III met Nieuwe Psychoactieve Stoffen. Er mogen ook geen sporen van alcohol of van de genoemde middelen8 in het lichaam van de arts aanwezig zijn op het moment dat hij start met zijn werkzaamheden. Dit betekent dat artsen zich ook voor aanvang van de werkzaamheden moeten onthouden van alcohol of psychoactieve middelen.
Onderscheid reguliere en niet-reguliere werktijden en diensten
Tijdens diensten op niet-reguliere werktijden9 kan de arts thuis of op zijn werkplek zijn. Hij is oproepbaar om patiëntgebonden werkzaamheden uit te voeren. In de lokale dienstroosters wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende diensten, waaronder aanwezigheidsdiensten en bereikbaarheidsdiensten. Heeft de arts een aanwezigheidsdienst of een bereikbaarheidsdienst als eerste aanspreekpunt, dan geldt voor hem de nulnorm. Heeft hij een bereikbaarheidsdienst als tweede aanspreekpunt, dan moet hij voldoen aan de verkeersnorm als het gaat om alcohol en aan de nulnorm als het gaat om psychoactieve middelen.
Wat zijn psychoactieve middelen?
Psychoactieve middelen zijn middelen die de hersenen prikkelen, waardoor er geestelijke en/of lichamelijke effecten optreden. De psychoactieve werking kan stimulerend, verdovend of bewustzijnsveranderend zijn. Sommige middelen, zoals hasj en wiet, hebben meerdere effecten. De psychoactieve werking van alcohol en drugs heeft effect op de hersenen en daarmee op het functioneren van de gebruiker. Gevolgen kunnen onder andere zijn dat de persoon die onder invloed is trager reageert, minder ziet, zich slechter concentreert en tegelijkertijd denkt dat hij nog prima functioneert. Vanwege de risico’s voor de patiëntveiligheid is het niet acceptabel als een arts deze middelen gebruikt wanneer hij patiëntgebonden werkzaamheden uitvoert. Dit is in strijd met de plicht van goed hulpverlenerschap. Psychoactieve middelen kunnen ingedeeld worden naar alcohol, drugs en psychofarmaca. De illegale (verboden) middelen staan in de Opiumwet beschreven. De Opiumwet onderscheidt lijst I en lijst II. Heroïne, cocaïne en XTC zijn voorbeelden van middelen die op lijst I staan; cannabis en paddo’s staan op lijst II.
Geneesmiddelen
Op lijst I en lijst II van de Opiumwet staan tal van geneesmiddelen, waaronder pijnstillers zoals opiaten, en benzodiazepinen. Het gebruik van deze geneesmiddelen door artsen kan niet worden verboden, omdat artsen die middelen om medische redenen kunnen gebruiken. Het gebruik van de geneesmiddelen uit lijst I en lijst II is daarom alleen toegestaan op voorschrift van een behandelend arts in het kader van een behandelingsovereenkomst.
7.
Van der Meer SM. Een goed beleid: dat scheelt een slok op een borrel. Arbeidsrecht, maandblad voor de Praktijk. 2015;43:18-22.
8.
STECR Werkwijzer Verslaving en Werk. Utrecht; 2011: p. 13.
9.
Het gaat hier om aanwezigheids- of bereikbaarheidsdiensten.
LIJST III Nieuwe Psychoactieve Stoffen
Op lijst I en lijst II van de Opiumwet ontbreken de Nieuwe Psychoactieve Stoffen (NPS). NPS is de verzamelnaam voor een groep van nieuwe drugs, de zogenaamde designerdrugs of “Research Chemicals”.10 Deze middelen vallen ook onder het KNMG-standpunt Nul is de norm. De EMCDDA publiceert ieder jaar een Implementation Report met in de bijlage een overzicht van de nieuwe middelen die dat jaar voor het eerst zijn gesignaleerd.11
LET OP! Actuele lijsten raadplegen
De lijst I en lijst II van de Opiumwet en lijst III met Nieuwe Psychoactieve Stoffen zijn zogenoemde ‘levende documenten’ die aan verandering onderhevig zijn. Het is daarom zaak dat u kennis neemt van de meest actuele versies van deze lijsten. Deze zijn te vinden op de volgende websites: www.wetten.nl en www.emcdda.europa.eu.
10. Nieuwe Psychoactieve Stoffen (NPS) is een verzamelnaam voor stoffen die qua werking vergelijkbaar zijn met ‘traditionele’
illegale drugs, maar (nog) niet onder de drugswetgeving vallen en vaak worden geproduceerd om deze te omzeilen.
januari 2018
Heb je een vraag over deze richtlijn?
Rechtswijs kan je helpen begrijpen hoe deze richtlijn van toepassing is op jouw situatie.
Stel je vraag