Kennisupdate angststoornissen en werk
Actualisatie van wetenschappelijke kennis over diagnose, behandeling, prognose en arbeidsparticipatie bij angststoornissen, met aanbevelingen voor verzekeringsartsen en bedrijfsartsen.
Voorwoord
Dit kennisdocument is tot stand gekomen in opdracht van UWV in het kader van het subsidiethema Actualiseren wetenschappelijke kennis en inzichten over veel voorkomende aandoeningen. De doelstelling van het project was het in kaart brengen van actuele wetenschappelijke inzichten en praktijkkennis op het gebied van diagnose, behandeling, prognose, functionele mogelijkheden voor het verrichten van arbeid en interventies ter bevordering van arbeidsparticipatie voor patiënten met angststoornissen, en deze te integreren en specifiek te maken voor toepassing in de praktijk van verzekeringsartsen, bedrijfsartsen en andere gerelateerde arbeidsprofessionals. Het feitelijk vernieuwen van protocollen en richtlijnen was geen onderdeel van dit project.
Inleiding
Het doel van dit rapport was het creëren van inzicht en meer diepgang in de bestaande literatuur over angststoornissen en werk, en om dit te combineren met praktijkervaringen van bedrijfsartsen en verzekeringsartsen. We hebben hiertoe een scoping review van de literatuur gedaan, met een systematische search. Daarnaast hebben we interviews, een focusgroep en een invitational conference gehouden om over de kennisbehoeften en tussentijdse resultaten in gesprek te gaan met het werkveld. Doel was om de volgende onderzoeksvraag te beantwoorden: Wat is de actuele kennis rond de diagnose, behandeling, en prognose voor het verrichten van arbeid, en wat zijn interventies ter bevordering van arbeidsparticipatie van patiënten met angststoornissen? Ter specificering van de onderzoeksvraag zijn onderstaande vragen gedefineerd:
- Wat zijn de prevalentie, incidentie, (meest) toegepaste behandelingen, en prognose van
angststoornissen in Nederland?
-
Wat is er bekend over de risicofactoren voor het ontwikkelen van angststoornissen?
-
Wat is de invloed van een angststoornis op (de prognose voor) arbeidsparticipatie?
-
Wat is de invloed van persoonlijke, omgevings- en activiteiten gerelateerde factoren op de arbeid
gerelateerde factoren van mensen met een angststoornis?
- Welke betrouwbare en valide meetinstrumenten bestaan er om het arbeidsvermogen van mensen met
een angststoornis te beoordelen?
- Wat wordt er gedaan om de arbeidsparticipatie van mensen met een angststoornis te bevorderen en
wat is de effectiviteit hiervan?
Resultaten
Een opvallende bevinding is dat we weinig wetenschappelijke literatuur gevonden hebben waarin het specifiek ging over angst (angstklachten of angststoornissen)1. De meeste artikelen richten zich op angst en depressie, of veel voorkomende psychische aandoeningen, inclusief angst. Het is daarom lastig om op basis van de huidige literatuur aanbevelingen te doen over het begeleiden en beoordelen van mensen met angststoornissen in relatie tot arbeidsparticipatie. Het blijkt dat het ook in de bedrijfsgeneeskundige praktijk lastig is om angst te onderscheiden van andere psychische stoornissen. De vraag is dan ook of op dit moment een richtlijn specifiek voor angststoornissen mogelijk is en meerwaarde heeft voor de praktijk. Het heroverwegen hiervan in de richting van (het actualiseren van) een generieke richtlijn voor psychische stoornissen lijkt voor de hand te liggen. Ondanks deze beperking, willen we hier een aantal bevindingen van het onderzoek nader bespreken. De resultaten van deze studie worden per vraag besproken. De eerste vraag luidt: (1) Wat zijn de prevalentie, incidentie, (meest) toegepaste behandelingen, en prognose van angststoornissen in Nederland? Uit een representatief bevolkingsonderzoek kwam naar voren dat 10,1% van de geïnterviewden in de 12 voorgaande maanden had geleden aan een angststoornis (De Graaf et al., 2012). Eén van de terugkerende thema’s binnen de interviews en de focusgroep discussie is echter dat angststoornissen nog te weinig herkend en begrepen worden. Ook de literatuur beschrijft dat het vaak moeilijk is om angststoornissen te onderscheiden van depressieve stoornissen en dat die twee bovendien vaak tegelijk voorkomen. Bovendien is angststoornis een koepelterm voor een breed scala aan stoornissen, waaronder specifieke fobieën, PTSS en generaliseerde angst.
1 Angst wordt in veel artikelen niet gespecificeerd – soms gaat het over angstklachten, soms over angststoornissen en
soms over angst in het algemeen. We gebruiken daarom in dit rapport de term angst om al deze varianten aan te duiden.
Zorgprogramma’s voor angststoornissen worden beschreven in het Zorgpad Angststoornissen (2014). In het huidige beleid worden patiënten, waarbij een angststoornis wordt vermoed, verwezen naar de huisarts en behandeld op basis van het stepped-care model. De meest gebruikte therapie is cognitieve gedragstherapie. Een terugkerend thema in de interviews is dat de huidige richtlijnen voor diagnostisering en behandeling van angststoornis niet praktisch genoeg zijn omdat ze vooral gericht zijn op het afbakenen van de diagnose waarbij de complexiteit en individualiteit van angststoornissen uit het oog wordt verloren. (2) Wat is er bekend over risicofactoren voor het ontwikkelen van angststoornissen? Met betrekking tot factoren die van invloed zijn op het ontwikkelen van angststoornissen in de werkcontext zijn in de literatuur persoonlijke en omgevingsfactoren gevonden. Er is bewijs dat het vrouwelijke geslacht, oudere leeftijd en een lager opleidingsniveau, toewijding, niet-traditionele genderrollen en persoonlijk reactiviteit op werkgerelateerde stress risicofactoren zijn voor het ontwikkelen van angst en voor negatieve werkgerelateerde uitkomsten. De volgende omgevingsfactoren verhogen volgens de literatuur het risico op het ontwikkelen van een angststoornis: werkloosheid, werken na de pensioengerechtigde leeftijd, lage kwaliteit en discontinuïteit van zorg, het ontbreken van ondersteuning van begeleiders en leidinggevenden, verhoogde fysieke eisen van het werk, spanningen op het werk, verhoogde werkdruk, lage werktevredenheid, lage werknemerscontrole op zijn of haar baan, en slecht leiderschap. Verder wordt er in de literatuur aangegeven dat niet elk beroep hetzelfde risico op angst met zich meebrengt. Het risico is ook afhankelijk van het niveau van dagelijkse stress op het werk en de relatieve baanzekerheid. Kennis van de invloed van omgevingsfactoren op de ontwikkeling van angststoornissen kan gebruikt worden voor de verbetering van behandelingsstrategieën, omdat de omgeving een factor is die (tot op zekere hoogte) aangepast kan worden (in tegenstelling tot persoonlijke en biologische factoren). Er zijn ook factoren gevonden die een positieve invloed kunnen hebben op de angststoornis en op arbeidsparticipatie. Een positieve en ondersteunende werkomgeving heeft een positieve invloed op allebei. Ook begripvolle collega’s en het hebben van een motiverende houding kunnen positieve effecten hebben op re-integratie. Daarnaast geven bedrijfs- en verzekeringsartsen aan dat goede coping mechanismen van de patiënt kunnen zorgen voor een voorspoedig re-integratieproces, net als behandelingen die zijn gericht op het bevorderen van actieve coping mechanismen van patiënten. Hetzelfde geldt voor een goed zelfbeeld, een positief wereldbeeld en een goed leervermogen. (3) Wat is de invloed van een angststoornis op (de prognose voor) arbeidsparticipatie? Van de artikelen die we hebben bestudeerd richten veel zich op de vraag of angst een effect heeft op arbeidsparticipatie. Angst zelf (of een voorgeschiedenis van angst) is een risicofactor voor negatieve werkgerelateerde uitkomsten, al is presenteism van mensen met een angststoornis relatief hoger dan bij andere psychische stoornissen. Relevanter voor de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskundige praktijk zijn studies naar specifieke angststoornissen in relatie tot werkgerelateerde uitkomsten: niet elke angst is hetzelfde. Uit de interviews en literatuur kwam naar voren dat angst een groter effect heeft op werk als de angst zelf is gelinkt aan één van de omgevingen of taken tijdens het werk. Volgens de literatuur hebben generaliseerde angststoornissen of werkgerelateerde angst een grotere invloed op arbeidsparticipatie dan andere angstgerelateerde stoornissen. (4) Wat is de invloed van persoonlijke, omgevings- en activiteiten gerelateerde factoren op werkgerelateerde uitkomsten van mensen met een angststoornis? Verschillende factoren, met name persoonlijke factoren, omgevingsfactoren, en activiteiten gerelateerde factoren, lijken een invloed te hebben op de symptoomzwaarte en arbeidsparticipatie van mensen met een angststoornis. De factoren ‘hogere leeftijd’, ‘vrouwelijk geslacht’, ‘lager opleidingsniveau’ en ‘voorgeschiedenis van trauma’, zijn in meerdere studies naar voren gekomen als factoren die de arbeidsparticipatie negatief beïnvloeden. Een extraverte en georganiseerde persoonlijkheid hebben een positief effect op de terugkeer naar werk. Verder blijkt dat met name een positieve en ondersteunende werkomgeving de arbeidsparticipatie bevordert van mensen met een angststoornis. Uit onderzoek naar de invloed van activiteitsgerelateerde factoren op arbeidsparticipatie blijkt dat een aantal factoren een negatief effect heeft, zoals emotionele uitputting en slechte zelfwerkzaamheid. Behoefte aan controle en het hebben van een positief zelfbeeld hebben daarentegen een positief effect op arbeidsparticipatie. (5) Welke betrouwbare en valide meetinstrumenten bestaan er om het arbeidsvermogen van mensen met een angststoornis te beoordelen? Uit de interviews blijkt dat het voor het revalidatieproces belangrijk is om een goede inschatting te maken van de belastbaarheid van werknemers met een angststoornis. Momenteel vinden bedrijfsartsen het echter lastig om een duidelijk beeld te krijgen van die capaciteiten en bestaan er geen praktijkgerichte instrumenten en/of richtlijnen om dat te doen. In de geïncludeerde kwantitatieve artikelen zijn geen instrumenten onderzocht die het arbeidsvermogen van mensen met angstklachten of een angststoornis beoordelen. Wel worden er verscheidene diagnostische en prognostische instrumenten beschreven die wellicht behulpzaam kunnen zijn in de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskundige praktijk. Enkele voorbeelden hiervan zijn: Distress Screener, 4DSQ (ook bekend als 4DKL), de 48-item Symptom Questionnaire (SQ-48), Work Limitation Questionnaire (WLQ), Work Productivity and Activity Impairment Questionnaire (WPAI), Endicott Work Productivity Scale (EWPS), en Functional Status Questionnaire Work Performance Scale (WPS). De literatuurstudie laat zien dat er weinig bewijs is voor de betrouwbaarheid van deze instrumenten. (6) Wat wordt er gedaan om de arbeidsparticipatie van mensen met een angststoornis te bevorderen en wat is de effectiviteit hiervan? In de literatuur werd matig bewijs gevonden voor de effectiviteit van preventieve interventies die gericht zijn op het voorkomen van het ontwikkelen van een angststoornis, zoals het bevorderen van zelfcontrole en lichaamsbeweging. Het bewijs voor interventies gericht op het voorkomen van complicaties en ziekteverergering en specifiek gericht op werk, zoals exposure therapie, Cognitieve Gedragstherapie (CGT) en probleemgericht terugkeer-naar-werk, was het sterkst. In de praktijk ervaren bedrijfsartsen echter dat werknemers met een angststoornis vaak vermijdingsgedrag laten zien, waardoor toepassing van exposure therapie moeilijk is. De meest gebruikte therapie is cognitieve gedragstherapie, maar mensen zijn op zoek naar minder arbeidsintensieve manieren om CGT aan te bieden om wachtlijsten te verminderen. Een studie onderzocht een groepsversie en een andere keek naar een online variant van CGT (met input van de therapeut); deze bleek niet minder effectief dan face-to-face behandeling. Een andere studie liet zien dat het gebruik van vaardigheidstraining op individueel, groeps- en organisatieniveau tot de beste gezondheids- en werkgerelateerde uitkomsten leidt. Het gebruik van interventies voor het ontwikkelen van actieve coping strategieën werkt beter dan passieve behandelingen. Een van de studies onderzocht een werkplekgebaseerde interventie die geestelijke gezondheid, arbeidsgeschiktheid en productiviteit moest verbeteren. De interventie had een positieve invloed op het zoeken van hulp door de deelnemers, veroorzaakt door een regelmatig bezoek van bedrijfsartsen. Desalniettemin, was er onvoldoende bewijs voor de vermindering van geestelijke gezondheidsklachten. Uit de literatuur blijkt dat de meest succesvolle interventies verschillende benaderingen combineren in samenwerking met een breed scala aan behandelaars. De participatie van veel verschillende behandelaars maakt volgens de geïnterviewden dat het behandeltraject vaak heel complex is. De vertraging die tijdens het behandelproces optreedt, wordt gezien als een belangrijke belemmering voor de terugkeer naar werk van werknemers met een angststoornis.
Aanbevelingen
Omdat angststoornissen lastig te onderscheiden zijn van andere psychische problemen, sluit een generieke richtlijn voor psychische stoornissen wellicht beter aan bij de verzekerings- en bedrijfsgeneeskundige praktijk dan een richtlijn specifiek voor angststoornissen. Dit kan onderdeel uitmaken van het actualiseren van de richtlijn Psychische Problemen van de NVAB. Er is in de specialistische en bedrijfs-en verzekeringsgeneeskundige praktijk behoefte aan meer onderzoek naar interventies om de arbeidsparticipatie van werknemers met angststoornissen te verhogen. Er is in de literatuur weinig bekend over het beoordelen van arbeidsvermogen van mensen met een angststoornis. Verkennend onderzoek hiernaar verdient aanbeveling, waarbij vooral de huidige ervaringskennis van artsen geïnventariseerd kan worden op basis waarvan best practices geïdentificeerd kunnen worden. Een uitdaging rondom de begeleiding van mensen met een angststoornis is het spanningsveld rondom werkvermijding versus exposure. Het verdient aanbeveling om ervaringskennis over het omgaan met deze spanning te onstluiten. Ten slotte is een aanbeveling voor beleid om middelen beschikbaar te maken voor onderzoek naar openstaande onderzoeksvragen, en voor het ontwikkelen van richtlijnen voor de begeleiding van mensen met psychische stoornis, en de beoordeling van hun arbeidsvermogen, voor de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskundige praktijk (al dan niet geïntegreerd).
1.1. Probleemstelling
Psychiatrische stoornissen spelen een grote rol in de huidige maatschappij. Zij zorgen voor belemmeringen bij werk, voor zowel korte als lange perioden, waarbij de werknemer zijn/haar werkzaamheden niet of minder goed kan verrichten. Afhankelijk van de ernst van de stoornis en het behaalde resultaat van de behandeling, kan de werknemer weer terugkeren naar werk of in aanmerking komen voor een uitkering. Hierbij zijn verscheidene partijen betrokken, zoals de werkgever, een casemanager, bedrijfsartsen, verzekeringsartsen en de zieke persoon zelf. Bij de laatstgenoemde behoren zieke werknemers, parttimers of zelfstandige zonder personeel (ZZP’ers), en arbeidsongeschikten. Een veel voorkomende psychiatrische aandoening betreft angststoornissen. De prevalentie van angststoornissen in de Nederlandse bevolking is hoog, namelijk 7,7% onder mannen en 12,5% onder vrouwen (NHG, 2016). In de huisartsenpraktijk zijn ongeveer 7 per 1.000 mannen en 14 per 1000 vrouwen bekend met angststoornissen (NHG, 2016). Bovendien gaat een deel van de mensen met een angststoornis niet naar de huisarts of wordt niet door de huisarts met angststoornis gediagnosticeerd. Dit betekent dus dat de prevalentie hoger ligt dan de eerder genoemde cijfers. De incidentie binnen de huisartsenpraktijk ligt op ongeveer 2 op de 1.000 mannen per jaar en bij vrouwen 4 op de 1.000 per jaar (NHG, 2016). Opmerkelijk is dat angststoornissen vaker bij vrouwen voorkomen dan bij mannen. Een eerder uitgevoerde epidemiologische bevolkingsonderzoek heeft uitgewezen dat in 2011, de prevalentie van angststoornissen bij personen tussen de 18 en 65 jaar in Nederland ongeveer 1,1 miljoen was. Hierbij ging het om 413.600 mannen en 655.100 vrouwen. Omgerekend is dit gelijk aan 78 per 1.000 mannen en 125 per 1.000 vrouwen. Het bevolkingsonderzoek werd uitgevoerd tussen 2007 en 2012 (de Graaf, 2012). Volgens dit onderzoek heeft 19,6% van de Nederlandse bevolking (23.4% vrouwen) ooit te maken gehad met enigerlei angststoornissen. Er kunnen een aantal typen angststoornissen worden onderscheiden, namelijk: paniekstoornis, agorafobie, sociale fobie, obsessieve-compulsieve stoornis, gegeneraliseerde angststoornis, posttraumatische stressstoornis (PTSS) en specifieke fobieën (angst voor één bepaald ding zoals spinnen, wateroppervlakten en vliegen) (De Graaf, 2010; NHG, 2016). Deze vormen van angststoornissen hebben een verschillend beloop, waarvoor de mogelijke behandelingen ook uiteenlopen. Daarnaast is er sprake van onvolledig ontwikkelde beelden en mengvormen tussen deze typen, die ook samen kunnen gaan met andere vormen van psychopathologie (NHG, 2016). Hierdoor is het vaststellen van een diagnose moeizaam. Voor de diagnose voor angststoornissen kan gebruik gemaakt worden van classificatiesystemen zoals de DSM- 5, die door de Amerikaanse Psychiatrische Associatie (APA) wordt gepubliceerd, en de ICD-10 die door de World Health Organisatie (WHO) is samengesteld. Deze systemen classificeren mentale stoornissen, gebaseerd op de symptomen die worden waargenomen door de arts. De huidige classificatiesystemen die momenteel veel worden gebruikt bieden geen eenvoudig instrument om angststoornissen te herkennen en een diagnose te stellen. Om bedrijfsartsen en verzekeringsartsen te helpen met het diagnosticeren en begeleiden van mensen met een angststoornis, zijn verscheidene richtlijnen en protocollen gemaakt zoals de NHG richtlijn voor huisartsen en de NVAB richtlijnen voor bedrijfsartsen2,3. Deze richtlijnen en protocollen helpen de bedrijfsartsen en verzekeringsartsen om de kwaliteit van zorg te verbeteren. Aan de hand van deze documenten wordt een beslissing gemaakt of de patiënt (gedeeltelijk) terug kan keren naar werk of dat de patiënt (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt verklaard wordt. Deze bedrijfs- en verzekerningsgeneeskundige richtlijnen dateren echter uit respectivelijk 2007 en 2005, waardoor de wetenschappelijke kennis waarop de aanbevelingen zijn gebaseerd niet actueel is. Deze factoren zorgen voor een verhoogde noodzaak om meer inzicht te krijgen in de bestaande literatuur omtrent angststoornissen in relatie tot werk. Het is van belang om de richtlijnen en de protocollen te actualiseren om bedrijfsartsen en verzekeringsartsen een actueel hulpmiddel te bieden voor het evalueren en
2 https://www.nvab-online.nl/richtlijnen/richtlijnen-NVAB, geraadpleegd op 24-08-2016
3 https://www.nhg.org/nhg-standaarden, geraadpleegd op 24-08-2016
begeleiding van patiënten met angststoornissen. Een eerste stap hierin is het actualiseren van wetenschappelijke literatuur en het inventariseren van praktijkkennis van de actieve betrokken partijen die te maken hebben met angststoornissen en werk in hun dagelijkse praktijk.
1.2. Doel van het rapport
Tot op heden is de wetenschappelijke literatuur met betrekking tot angststoornissen en werk niet gestructureerd en wordt veel bestaande kennis niet toegepast in de praktijk. Het doel van dit rapport is het creëren van inzicht en meer diepgang in de bestaande wetenschappelijke literatuur over angststoornissen en werk, en om dit te combineren met praktijkervaringen van bedrijfsartsen en verzekeringsartsen. Hierbij concentreren wij ons op wat er bekend is over diagnose, behandeling, prognose, functionele mogelijkheden voor het verrichten van arbeid, en interventies ter bevordering van arbeidsparticipatie van patiënten met angststoornissen. Naar aanleiding van de doelstelling, komen wij tot de volgende onderzoeksvraag: Wat is de actuele kennis rond de diagnose, behandeling, prognose voor het verrichten van arbeid, en wat zijn interventies ter bevordering van arbeidsparticipatie voor patiënten met angststoornissen?
1.3. Uitgangsvragen
In het onderzoek naar de actuele kennis rondom angststoornissen en werk worden onderstaande uitgangsvragen beantwoord:
- Wat zijn de prevalentie, incidentie, (meest) toegepaste behandelingen, en prognose van
angststoornissen in Nederland?
-
Wat is bekend over de risico’s op het ontwikkelen van angststoornissen?
-
Wat is de invloed van een angststoornis op (de prognose voor) arbeidsparticipatie?
-
Wat is de invloed van de verschillende factoren (incl. werkomgeving) op de arbeidsparticipatie van
mensen met een angststoornis?
- Welke betrouwbare en valide meetinstrumenten bestaan er om het arbeidsvermogen van mensen
met een angststoornis te beoordelen?
- Wat wordt er gedaan om de arbeidsparticipatie van mensen met angststoornissen te bevorderen en
wat is de effectiviteit hiervan?
1.4. Theoretisch kader
Om het literatuuronderzoek te structureren is het “International Classification of Functioning, Disability and Health” (ICF) model gebruikt (WHO 2013). Het ICF-model geeft een beschrijving voor het functioneren van individuen en populaties met gezondheidsproblemen binnen verscheidene omgevingen. Dit model is ontwikkeld door de WHO en onderscheidt verschillende componenten die direct gerelateerd zijn aan de (mentale) gezondheid van de werknemer en arbeidsongeschiktheid. In het onderzoek gebruiken we het model om weer te geven welke factoren belemmerend/bevorderend zijn voor terugkeer naar werk (een onderdeel van participatie): de stoornis zelf, de functies en anatomische eigenschappen, de activiteiten die iemand al dan niet uit kan voeren als gevolg van de aandoening, persoonlijke factoren en externe factoren. Afbeelding 1. Schematische weergave van het ICF-model.4
4 Nederlands WHO-FIC Collaborating Centre (2002). Nederlandse vertaling van de ‘International Classification of Functioning, Disability
and Health’ compilatie. WHO-FIC Collaborating Centre in the Netherlands. RIVM: Bilthoven, Nederland. Referenties De Graaf, R., Ten Have, M., & van Dorsselaer, S. (2010). De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. Nemesis- 2: Opzet en eerste resultaten, Trimbos-Instituut, Utrecht. NHG. (2016). Nederlandse Huisartsen Genootschap. Geraadpleegd op 24-08-2016. http://www.nhg.org/nhg-standaarden Nederlands WHO-FIC Collaborating Centre (2002). Nederlandse vertaling van de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health’ compilatie. WHO-FIC Collaborating Centre in the Netherlands. RIVM: Bilthoven, Nederland Vertaling van de WHO-publicatie, Heerkens, Y.F., Hirs, W. M., Kleijn-de Vrankrijker, M., Ravenberg, C.D. and Ten Napel, H. (2002). International Classification of Functioning, Disability and Health: ICF, Geneva 2001. Eerste druk. World Health Organization. How to use the ICF: A practical manual for using the International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF). Exposure draft for comment. October 2013. Geneva: WHO
Hoofdstuk 2: Methodologie
Dit hoofdstuk beschrijft welke methoden zijn gebruikt om de uitgangsvragen te beantwoorden. Er wordt apart ingegaan op de methoden die zijn gebruikt om een overzicht te geven van de actuele kennis, te weten een scoping review (uitgangsvragen 1-6) en interviews (uitgangsvragen 2-6), en de methoden die erop gericht waren inzicht te krijgen in de toepassingsmogelijkheden van deze actuele kennis, namelijk focusgroepen en een invitational conference.
2.1. Scoping review
Het actualiseren van de wetenschappelijke kennis is gestart met een zogenaamde scoping review. Een scoping review is een vorm van kennisintegratie aan de hand van een verkennende onderzoeksvraag, met als doel het in kaart brengen van centrale concepten, verschillende types van bewijs en kennishiaten in onderzoek in een bepaalde discipline. Dit wordt gedaan door het systematisch zoeken, selecteren en integreren van bestaande kennis (Caolquhoun et al, 2014). Anders dan met systematische review, waarin doorgaans één specifieke vraag centraal staat, kan met een scoping review inzicht worden gekregen in de literatuur omtrent verschillende onderwerpen en aspecten, in deze studie gevat in uitgangsvragen 1 tot en met 6. Dit biedt de mogelijkheid om de factoren in kaart te brengen die geassocieerd zijn met werkgerelateerde uitkomsten, om aan te geven wat de bewijskracht is van de correlaties met werkgerelateerde uitkomsten, en om eventuele gaten in de literatuur te identificeren. Volgens Dijkers (2015) maakt de beoordeling van de methodologische kwaliteit van de gevonden studies geen onderdeel uit van een scoping review. In deze studie is, om de validiteit van de resultaten te verhogen, en in navolging van een systematische review, een scoping review gedaan met als aanvulling een kwaliteitsbeoordeling van het gevonden bewijs. De scoping review die in deze studie gedaan is betreft de inventarisatie van relevante richtlijnen, protocollen en wetenschappelijke artikelen (gepubliceerd in de laatste 10 jaar), door middel van een systematische literatuurstudie naar enerzijds de prevalentie en incidentie, diagnose en behandeling van angststoornissen, en anderzijds de factoren en interventies die werkgerelateerde uitkomsten beïnvloeden, waarin zowel kwantitatieve als kwalitatieve data is meegenomen. Relevante wetenschappelijke artikelen zijn geïdentificeerd door middel van het zoeken in verschillende elektronische databases (zie hieronder), maar ook door middel van het zoeken van relevante artikelen in referentielijsten van richtlijnen en protocollen. Adviezen van de begeleidingscommissie zijn ook in acht genomen voor het vinden van relevante literatuur. Het gebruik van deze additionele methoden wordt ondersteund door onderzoek waarin is aangetoond dat effectieve dataverzameling van complex bewijs niet alleen kan bouwen op protocol‐gestuurde zoekstrategieën, en dat ‘snowballing’ en persoonlijke kennis of persoonlijke contacten nodig zijn om de brede range van literatuur omvatten (Greenhalgh, 2005).
2.1.1. Zoekactie, selectieproces en data-extractie
Bij het beantwoorden van de uitgangsvragen voor de scoping review zijn verschillende zoekstrategieën gebruikt. Voor het beantwoorden van uitgangsvraag I zijn cijfers geëxtraheerd uit de Centraal Bureau van statistiek en uit relevante wetenschappelijke studies. Voor het beantwoorden van de vragen 2-6 is, in samenwerking met een specialist wetenschappelijke informatie van de VU, systematisch gezocht naar wetenschappelijke literatuur in vijf onlinedatabases: Pubmed, EMBASE, CINAHL, PsycInfo en de COCHRANE Library. De gebruikte zoektermen zijn zo gekozen dat zij aansluiten bij de internationale literatuur en door het gebruik van de term werkgerelateerde uitkomsten, is de zoekactie breed gehouden. Onder werkgerelateerde uitkomsten valt niet alleen terugkeer naar werk, maar ook gerelateerde termen als ziekteverzuim, arbeidsvermogen, gewerkte uren en het hebben van bijvoorbeeld een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Een overzicht van alle gebruikte zoektermen is te vinden in Bijlage 2. De gevonden artikelen zijn gescreend op relevantie voor de scoping review aan de hand van vooraf vastgestelde selectiecriteria (zie Bijlage 3). De screening procedure is uitgevoerd door twee onderzoekers onafhankelijk van elkaar. Eventuele verschillen in interpretatie en beoordeling zijn onderling besproken tot consensus gevormd was. De screening heeft plaatsgevonden in twee fases. In de eerste fase zijn artikelen beoordeeld en geselecteerd op basis van titel en samenvatting en in de tweede fase is de selectie gedaan op basis van de volledige teksten. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen reviews en primaire studies. Het stroomdiagram van het selectieproces is te vinden in Bijlage 4. De geïncludeerde artikelen zijn op basis van onderwerp verdeeld in factoren van invloed op werkgerelateerde uitkomsten enerzijds en interventies ter bevordering van terugkeer naar werk anderzijds, en data relevant voor de studie (o.a. type studie, populatie, sample size, uitkomstmaten, effect, conclusie) is door drie verschillende onderzoekers geëxtraheerd naar verschillende tabellen. Tijdens de extractie hebben de onderzoekers regelmatig met elkaar gediscussieerd over de interpretatie van de gegevens. Voor uitgangsvragen 2-4 is, waar mogelijk, een onderscheid gemaakt tussen studies waarvan de populatie hoofdzakelijk bestaat uit mensen die ten tijde van verzuim een arbeidscontract hadden, ‘vangnetters’ en zelfstandigen.
2.1.2. Beoordelen van het bewijs van de geïncludeerde studies
In deze scoping review zijn studies beoordeeld op zowel methodologische kwaliteit van bewijs als op sterkte van het bewijs.
2.1.2.1. Methodologische kwaliteit van bewijs
De methodologische kwaliteit van de geïncludeerde systematische reviews is beoordeeld aan de hand van de AMSTAR 2 methodiek. AMSTAR 2 is een beoordelingstool voor systematische reviews waarmee zowel gerandomiseerde als niet-gerandomiseerde studies van gezondheidsinterventies kunnen worden beoordeeld (Shea et al., 2017). Met dit instrument worden reviews aan de hand van 16 items beoordeeld. De tool is ontwikkeld om kritische sterktes en zwaktes van de studies te identificeren en geeft geen overall score. In plaats van een samengesteld score, geeft AMSTAR 2 een relatieve beoordeling van de mate van betrouwbaarheid van de review (hoog, matig, laag en kritisch laag). Wanneer er maximaal één niet-kritische zwakte in staat wordt de review beoordeeld met hoge kwaliteit; bij meer dan twee niet-kritische zwaktes is er volgens de AMSTAR 2 methodiek sprake van een matige kwaliteit. Reviews met een lage kwaliteit bevatten één kritische fout met geen of meerdere niet-kritische zwaktes, en reviews met meer dan één kritische fout met geen of meerdere niet-kritische zwaktes worden beoordeeld als reviews met een kritisch lage kwaliteit. De reviews zijn door twee onderzoekers, onafhankelijk van elkaar, beoordeeld en gescoord. Eventuele verschillende in scores zijn bediscussieerd tot consensus bereikt was. De geïncludeerde primaire studies zijn beoordeeld aan de hand van de ‘standard quality assessment criteria for evaluating primary research papers’ (Kmet et al., 2004, 1). Het voordeel van deze evaluatiemethode is dat deze gebruikt kan worden voor de beoordeling van de methodologische kwaliteit van zowel kwantitatieve als kwalitatieve studies en voor een brede range van studie designs. Diverse aspecten van de studie, gerelateerd aan methodologie en manier van schrijven, worden beoordeeld met een ja (2 punten), gedeeltelijk (1 punt) of met een nee (0 punten). De kwantitatieve studies werden aan de hand van 11 items, waarvan er 6 mogelijk niet van toepassing zijn bij bepaalde studie designs, door twee onderzoekers onafhankelijk van elkaar beoordeeld en gescoord. Eventuele verschillende in scores zijn bediscussieerd tot consensus bereikt was. Vervolgens is er een samenvattende percentage-score voor de studies berekend door het totaalaantal punten voor alle items te delen door de hoogst mogelijke score. De kwalitatieve studies zijn op eenzelfde manier beoordeeld, alleen dan voor 10 items (Kmet et al., 2004). Aan de hand van de samenvattende score zijn de studies onderverdeeld in studies van lage (<0.5), voldoende (0.5-0.7) en hoge methodologische kwaliteit (0.8- 1), geïnspireerd op de afkapwaardes gebruikt in bijvoorbeeld Lee et al (2008) en Miljard et al (2013). Zie Bijlage 3 voor de operationaliering gebruikt in deze studie.
2.1.2.2. Sterkte van bewijs
De sterkte van bewijs van de geïncludeerde studies is bepaald aan de hand van het studie design. Voor de indeling van de bewijssterkte van de studies is tabel 1a gebruikt, terwijl tabel 1b is gebruikt voor het bepalen van de sterkte van bewijs van de op de artikelen gebaseerde conclusies. Tabel 1a Indeling van sterkte van bewijs van individuele studies (Kalf en de Beer, 2011, hoofdstuk 2) Interventie Diagnostisch accuratesse onderzoek Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose* A1 Systematische review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2niveau A2 Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten. B Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohortonderzoek) Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt-controle onderzoek C Niet-vergelijkend onderzoek D Mening van deskundigen Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd Tabel 1b Niveau van bewijs van de op de artikelen gebaseerde conclusies (Kalf en de Beer, 2011, hoofdstuk 2) Hoog Onderzoek van niveau A1 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2 Redelijk 1 onderzoek van niveau A2 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B Laag 1 onderzoek van niveau B of C Zeer laag Mening van deskundigen, bijvoorbeeld de projectgroepsleden
2.2. Interviews
Om inzicht te krijgen in de praktijk van terugkeer naar werk van werknemers met angststoornissen zijn, ter aanvulling op de scoping review, interviews gedaan met verschillende stakeholders in het terugkeer naar werk (TKW)-traject. Deze interviews waren enerzijds gericht op het in kaart brengen van de kennisbehoeften van betrokkenen, en anderzijds op het inzichtelijk maken van praktijkervaringen en het identificeren van best practices ten aanzien van terugkeer naar werk van werknemers met angststoornissen. De interviews hadden een semigestructureerd karakter, waardoor een specifieke focus werd gewaarborgd, maar er tegelijkertijd een bepaalde vrijheid was met betrekking tot wat er tijdens de interviews ter sprake kwam. Recruitering van de respondenten heeft plaatsgevonden via purposeful sampling. Dit betekent dat er doelgericht naar respondenten is gezocht die relevant zijn voor de onderzoeksvraag en representatief zijn om inzicht te krijgen in het terugkeer naar werk proces. In totaal zijn er 16 interviews gedaan met verschillende betrokkenen die inzicht hebben gegeven in het TKWtraject en de barrières waar men tijdens dit traject tegen aan loopt. De volgende actorgroepen zijn geïnterviewd: ● 12 bedrijfsartsen ● 2 verzekeringsartsen ● 2 psychologen Alle interviews zijn, met goedkeuring van de geïnterviewden, opgenomen en getranscribeerd. Van alle interviews is een samenvatting gemaakt en ter goedkeuring aan de geïnterviewde voorgelegd. De transcripten zijn gebruikt voor de analyse. Codering van de transcripten heeft plaatsgevonden aan de hand van thematische analyse, waarbij de concepten uit het ICF-model als uitgangspunt zijn gebruikt. Alle interviews zijn door minimaal twee onderzoekers geanalyseerd. De hieruit resulterende coderingsschema’s zijn besproken en eventuele verschillende in interpretatie en codering zijn in dialoog aangepast.
2.3. Focusgroep
Ondanks dat het daadwerkelijk ontwikkelen en implementeren van nieuwe richtlijnen voor de bedrijfs-en verzekeringsgeneeskunde geen onderdeel uitmaakt van dit onderzoek, is het voor de inbedding van de actuele kennis wel belang inzicht te krijgen in hoeverre de kennis aansluit bij de kennisbehoeften van bedrijfs-en verzekeringsartsen. Om inzicht te krijgen in de toepassingsmogelijkheden van de gevonden actuele kennis is een focusgroep met bedrijfs- en verzekeringsartsen gehouden. Er was ingezet op drie focusgroepen, helaas zijn vanwege het lage aantal aanmeldingen twee van de focusgroepen geannuleerd. Deelnemers voor de focusgroep zijn geworven via doelgericht zoeken via bijvoorbeeld het internet. Daarnaast zijn er respondenten aangeschreven die reeds waren benaderd of hadden deelgenomen aan het onderzoek in de vorm van een interview. Hen vroegen we of ze interesse hadden deel te nemen aan de focusgroepen of dat ze mensen kenden die we konden benaderen. Omdat het aantal verzekeringsartsen die hadden toegezegd te willen deelnemen aan de focusgroepen wat achterbleef zijn er op verschillende UWV kantoren posters opgehangen om de focusgroepen onder de aandacht te brengen van een grotere groep verzekeringsartsen. Uiteindelijk hebben in totaal 7 deelnemers deelgenomen aan de focusgroep waarvan 2 verzekeringsartsen en 5 bedrijfsartsen. De focusgroep duurde ongeveer 2,5 uur en is gefaciliteerd door een ervaren onderzoeker. Om ervoor te zorgen dat de focusgroep inzichten opleverde die relevant waren voor het onderzoek, is vooraf een draaiboek geschreven, bestaande uit vier verschillende interactieve oefeningen waarin de toepasbaarheid van de kennis in de praktijk centraal stond. Tijdens de focusgroep zijn vier posters met kennispunten voor feedback aan de deelnemers voorgelegd. De kennispunten op de posters waren gebaseerd op de resultaten van de scoping review en de interviews en waren per poster geclusterd op basis van de verschillende factoren in het ICF-model; ‘aandoening en behandeling’, ‘functies en activiteiten’, ‘persoonlijke factoren’ en ‘externe factoren’. De deelnemers is gevraagd door middel van het plakken van verschillende icoontjes, aan te geven in hoeverre de kennispunten volgens hen 1) eyeopeners zijn, 2) al toegepast worden in de praktijk, 3) nog niet toegepast worden maar wel toepasbaar zijn, en 4) niet toepasbaar zijn in de praktijk. Vervolgens is uitgevraagd waarom iets wel of geen eyeopener is, wel of niet toepasbaar is in de praktijk, en is er voor een aantal kennispunten in groepjes gebrainstormd hoe deze in de praktijk toegepast zouden kunnen worden. De focusgroep is opgenomen, waarvoor de deelnemers hun goedkeuring hebben gegeven, en getranscribeerd. Aan de hand van de transcripten is een uitgebreid verslag gemaakt en deze is ter verificatie naar de deelnemers gestuurd. Het verslag en de transcripten zijn gebruikt voor de analyse. De transcripten zijn door minimaal twee onderzoekers onafhankelijk van elkaar geanalyseerd. De onderzoekers bespraken gezamenlijk de resultaten van de analyse en eventuele verschillen zijn in overleg aangepast. De resultaten van de focusgroep zijn gebruikt om de uitkomsten van de literatuurstudie te specificeren en te valideren.
2.4. Invitational conference
Een volgende stap in het validatieproces en het in kaart brengen van de toepassingsmogelijkheden van de actuele kennis was de invitational conference, waarin experts vanuit verschillende kennisvelden met elkaar in gesprek zijn gegaan over wat er nodig is om de kennis toepasbaar te maken in de praktijk. Het ging hierbij om kennis met betrekking tot twee ziektebeelden: borstkanker en angststoornissen. Experts in de verschillende gebierden werden op persoonlijke titel uitgenodigd, en uiteindelijk waren er 30 deelnemers bij de conferentie aanwezig vanuit verschillende disciplines en met verschillende achtergronden. Er waren uiteindelijk 6 bedrijfsartsen, 6 onderzoekers, 5 verzekeringsartsen, 4 ervaringsdeskundigen, waarvan 3 betrokken zijn bij coaching, twee Arboverpleegkundigen, 2 beleidsmedewerkers, 2 kennisadviseurs, een opleider, een adviseur, en een arbeidsdeskundige bij de invitational conference aanwezig. De conferentie bestond uit twee delen. Na een aantal korte introducties, richtte een groot deel van de ochtend zich op het gezamenlijk nadenken over de richting voor de toekomst m.b.t. terugkeer naar werk van mensen met angststoornissen en de rol van kennis daarin. Het gezamenlijk nadenken werd gestructureerd aan de hand van world café discussies. Het world café is een creatief proces om een dialoog tot stand te brengen en kennis uit te wisselen over een bepaald onderwerp of thema5. Om dit creatieve proces te faciliteren waren er zes tafels met elk een eigen thema, namelijk 1) factoren die van invloed zijn op werkgerelateerde uitkomsten bij angststoornissen, 2) samenwerking tussen bedrijfs- en verzekeringsartsen, specialisten en werkgevers, 3) interventies om werkgerelateerde uitkomsten te verbeteren: borstkanker, 4) interventies om werkgerelateerde uitkomsten te verbeteren: angststoornis, 5) dilemma’s uit de praktijk: borstkanker en 6) dilemma’s uit de praktijk: angststoornis. Deze thema’s waren geëxtraheerd uit de scoping review, interviews en focusgroepen. In dit rapport zullen alleen de resultaten van tafel 1, 2, 4 en 6 besproken worden. Per tafel, en dus per thema, waren er twee rondes. Tijdens de eerste ronde werden discussies gevoerd aan de hand van discussiekaarten. Deze discussiekaarten bevatten een stelling, gebaseerd op literatuur, de interviews of de focusgroepen, met daaronder een aantal vragen om de discussie te stimuleren. Deelnemers konden, op basis van hun expertise en interesse, zelf kiezen aan welke tafel ze plaatsnamen. Er was geen facilitator aanwezig bij de discussies, wel liepen een aantal facilitatoren rond en stuurden de discussie waar nodig. Aan het einde van ronde 1 hebben de deelnemers per tafel nagedacht over de meest belangrijke verandering die nodig is in het kader van hun specifieke thema. Het antwoord op deze vraag is vastgelegd op een A4 en vormde de input voor de discussie in ronde 2, waarin deelnemers wederom zelf mochten bepalen aan welke discussie ze wilden deelnemen. In ronde 2 richtte de discussie zich op het brainstormen over factoren die bij de beoogde verandering een rol zouden kunnen spelen, en welke rol deze factoren zouden moeten spelen om tot de verandering te komen. Uiteindelijk was het doel van deze ronde om een richting voor de toekomst te formuleren, vastgelegd op een pijlbord. Deze richting voor de toekomst bestond uit een WAT: wat moet er in de toekomst veranderd worden? en een WIE: wie moet er in deze verandering de lead nemen? Deze ‘richtingen voor de toekomst’ zijn tijdens de afsluitende paneldiscussie aangeboden aan degenen die een belangrijke rol zouden kunnen spelen bij het initiëren van de beoogde verandering. De discussies, zowel de tafeldiscussies als de paneldiscussie zijn opgenomen met een audiorecorder, waarvoor aan de deelnemers vooraf toestemming is gevraagd. Daarnaast werden door de deelnemers zelf aantekeningen en mindmaps gemaakt op de tafelkleden die op de discussietafels lagen. De audiobestanden zijn getranscribeerd en de aantekeningen zijn uitgewerkt. De transcripten en aantekeningen zijn gebruikt voor de analyse die is gedaan aan de hand van open coderen. Per (relevante) zin is bepaald waar de zin over gaat. Dit is vastgelegd in een code. Vervolgens analyseerde we de samenhang tussen de codes, en formuleerden overkoepelende categorieën. Deze categorieën zijn gebruikt voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Referenties ● Arksey H, & O'Malley L. (2005) Scoping studies: towards a methodological framework. Int J Soc Res Methodol; 8(1):19- 32. ● Dijkers, M. (2015) What is a Scoping Review? KT Update; 4( 1) ● Greenhalgh, T., & Peacock, R. (2005). Effectiveness and efficiency of search methods in systematic reviews of complex evidence: audit ofprimary sources. Bmj, 331(7524), 1064‐1065. ● Jaspers, M. W., Smeulers, M., Vermeulen, H., & Peute, L. W. (2011). Effects of clinical decision-support systems on practitioner performance and patient outcomes: a synthesis of high-quality systematic review findings. Journal of the American Medical Informatics Association, 18(3), 327-334. ● Kalf, H. en Beer, J., de (2011) Richtlijnen en systematische reviews. Evidence based logopedie. Logopedisch handelen gebaseerd op wetenschappelijke evidentie. Tweede druk (eerste druk 2004). Houten, Nederland: Bohn Stafleu van Loghum. ● Kmet L M, Lee R C, Cook L S. (2004) Standard quality assessment criteria for evaluating primary research papers from a variety of fields. Edmonton: Alberta Heritage Foundation for Medical Research (AHFMR). HTA Initiative #13. ● Lee, L., Packer, T. L., Tang, S. H., & Girdler, S. (2008). Self‐management education programs for age‐related macular degeneration: A systematic review. Australasian journal on ageing, 27(4), 170-176. ● Millard, T., Elliott, J., & Girdler, S. (2013). Self-management education programs for people living with HIV/AIDS: a
5 www.theworldcafe.nl, bezocht op 1 november 2016
systematic review. AIDS patient care and STDs, 27(2), 103-113. ● Shea, B.J., Reeves, B.C., Wells, G., Thuku, M., Hame,l C., Moran, J., Moher, D., Tugwell, P., Welch, V., Kristjansson, E., Henry, D.A.. AMSTAR 2: a critical appraisal tool for systematic reviews that include randomised or non-randomised studies of healthcare interventions, or both. BMJ. 2017 Sep 21;358:j4008.
Hoofdstuk 3. Algemene beschrijving van geïncludeerde literatuur
De zoekstrategie heeft 113 artikelen opgeleverd; 17 hiervan waren review artikelen, 13 artikelen gebaseerd op kwalitatief onderzoek, en 83 gebaseerd op kwantitatief onderzoek. Hieronder lichten we dit meer in detail toe. De analyse die we presenteren in hoofdstuk 4 t/m 9 is gebaseerd op deze totale set van artikelen.
3.1. Algemene beschrijving van review artikelen
Tijdens de screeningsfase van de samenvatting hebben wij de literatuurstudies (reviews) gescheiden van de primaire artikelen. In eerste instantie vonden we 68 potentiële reviews. Een strikte lijst van exclusiecriteria werd toegepast op de samenvattingen en de volledige tekst van deze 68 artikelen. Exclusiecriteria: Afbeelding 2. Methoden van
-
Niet Engelstalig of Nederlandstalig
-
Geen melding van angst of één van de
review artikelen uitkomstmaten.
- Geen link met werkgerelateerde factoren
Metareview 11% (hetzij in de setting, richting of uitkomsten).
- Focus op een zeer specifieke, kleine
Systemati sch review; 10 Review beroepsgroep (bijvoorbeeld: eerste hulp verpleegkundigen, chauffeurs of militair personeel)
- Geen duidelijke beschrijving van de manier
met methoden 28% waarop de artikelen zijn geselecteerd en beoordeeld. Artikelen met relevante inhoud, maar geen duidelijke selectieprocedure en beschrijving van de methode, zijn gebruikt voor de discussie van dit rapport. De definitieve lijst bevat 17 reviews (zie bijlage 1). Van deze 17 artikelen zijn twee artikelen een meta-review, 10 artikelen een systematische review en 5 een literatuuronderzoek met een systematische methode. Alle geselecteerde reviews zijn gepubliceerd na 2006 en alle reviews, twee uitgezonderd, hebben een internationale focus (niet land-specifiek). De land-specifieke reviews zijn gericht op Duitsland en zijn geïncludeerd in het onderzoek. Reviews varieerden in belangrijke mate in het aantal studies dat is geïncludeerd. Het aantal varieerde tussen de 5 en 48 artikelen per review. Enkele van de reviews hebben een kwalitatieve benadering en de andere reviews hebben een kwantitatieve benadering. Slechts 4 artikelen richten zich specifiek op angst en angst-gerelateerde klachten. Een overgrote meerderheid van de studies onderzoekt de resultaten voor angst en depressie gecombineerd.
3.2. Algemene beschrijving van kwalitatieve artikelen
In totaal zijn er 13 kwalitatieve artikelen geïncludeerd. Er is sprake van een grote variëteit in onderzoeksmethoden, zoals een DELPHI-studie en studies gebaseerd op interviews en focusgroepen. Afbeelding 3 laat de gebruikte onderzoeksmethoden zien. De studies zijn uitgevoerd in verschillende landen: te weten Zweden (4), Denemarken (2), Nederland (2), Canada (2), Verenigde Staten (1), Australië (1) en Duitsland (1). De steekproefomvang van de studies varieerde tussen 11 en 25, met uitzondering van vier studies. Studies met een grotere steekproefomvang zijn een DELPHI-studie met 176 participanten (Reavley, Ross, Killackey, & Jorm, 2012); een uitgebreid studie met gemengde methoden van één gemeente in Denemarken met 213 participanten (Martin, Neighbors, & Griffith, 2013); een studie met focusgroepen waaraan 74 mensen deelnamen (C. Haslam, S. Atkinson, S. S. Brown, & R. A. Haslam, 2005b); en een interview Afbeelding 3. Methoden van kwalitatieve artikelen (n=13) Mixed methods DELPHI 8% 2 ws; 7 Focus groepen Intervie 23% 18 studie met 57 participanten (Hees, Nieuwenhuijsen, Koeter, Bültmann, & Schene, 2012). Het grootste deel van de studies onderzocht de ervaringen en percepties van werknemers met angstklachten of angststoornissen in relatie tot werk (7 studies). In één studie zijn de percepties van gezondheidsprofessionals geinventariseerd en één studie heeft uitsluitend de perceptie van de werkgever onderzocht. Vier studies presenteren naar de percepties van verschillende groepen belanghebbenden (werkgevers, werknemers, gezondheidsprofessionals, etc.). Slechts één studie was specifiek toegewijd aan angststoornissen alleen. Deze studie beschrijft hoe traumatische ervaringen uit het verleden de keuze van carrière en het gedrag op de werkplek kunnen beinvloeden, en hoe bedrijfsartsen, met deze kennis, een succesvolle terugkeer naar werk kunnnen faciliteren (Cowls & Galloway, 2009). Vier studies richten zich op angststoornissen en depressie (of op symptomen van angststoornissen en depressie) (Bertilsson, Love, Ahlborg, & Hensing, 2015; Bertilsson, Petersson, Ostlund, Waern, & Hensing, 2013; Haslam, Atkinson, Brown, & Haslam, 2005a; Reavley et al., 2012). De overige studies hebben betrekking op een breed spectrum van algemeen mentale gezondheidsproblemen, waarbij patiënten met angststoornissen of klachten met betrekking tot angststoornissen zijn geïncludeerd.
3.3. Algemene beschrijving van kwantitatieve artikelen
Er zijn 83 primaire, kwantitatieve artikelen geïncludeerd in het literatuuronderzoek, die de relatie onderzoeken tussen werkgerelateerde uitkomsten en angstklachten en/of angststoornissen. De geïncludeerde artikelen zijn gepubliceerd tussen 2005 en 2016. Voor de verdeling over jaren zie afbeelding
- De meeste studies zijn gedaan in Europese landen (56 studies). Onder de uitzonderingen zijn artikelen uit
Australië (9 studies), USA (7 studies), Canada (5 studies), Japan (3 studies), India (2 studies), Mexico (1 studie), en Zuid-Korea (1 studie). Een groot aantal onderzoeken is gedaan in de Nederlandse context (27 studies). Andere Europese landen waar deze studies zijn uitgevoerd zijn onder andere: Noorwegen, Zweden, Duitsland, Denemarken, Finland en Verenigd Koninkrijk. Focus In veel van de studies is het type angststoornis niet gespecificeerd; een meerderheid van de artikelen richt zich op of voorkomende geestelijke gezondheidsproblemen in het algemeen, of op angst en depressie samen. En wanneer de aandoening is gespecificeerd, richten veel artikelen zich op angst of op angst-gerelateerde aandoeningen zoals gedefinieerd in DSM-IV, DSM-5 or ICD10. Hiervan behandelt een meerderheid van de artikelen gegeneraliseerde angststoornissen en paniekstoornissen. Er wordt ook veel aandacht gegeven aan PTSS en fobieën. Naast deze geclassificeerde stoornissen, zijn er ook een aantal artikelen over niet geclassificeerde angstklachten (Netterstrøm, Friebel et al. 2013), werkgerelateerde angst (Muschalla, Linden et al. 2010, McCarthy, Trougakos et al. 2016), werk fobie, etc. De doelgroepen van de studies zijn erg heterogeen: van mensen met PTSS en werknemers met gediagnosticeerde angststoornissen, tot willekeurige steekproeven van de algemene bevolking. In de meerderheid van de studies gaat het om mensen in de beroepsbevolking (tussen de 18 en 65 jaar). Streekproefomvang De steekproefomvang is zeer variabel van 41 tot 13.463. De meerderheid van de artikelen (77) heeft een steekproef van meer dan 100 deelnemers. Diverse artikelen hebben een grote populatie met cohorten van 2000 tot 13.000 deelnemers, maar dergelijke studies zijn relatief zeldzaam (el-Guebaly, Currie et al. 2007, Esposito, Jian et al. 2007, Michon, ten Have et al. 2008, Knudsen, Harvey et al. 2013). Het merendeel van de grote cohortstudies richt zich bijna enkel op de prevalentie van angstklachten in de populatie en de associaties tussen angst en de werkstatus van mensen. De meeste studies hebben ofwel een gelijke sekseverdeling of een groter percentage vrouwelijke deelnemers. Slechts een paar studies, gericht op specifieke bevolkingsgroepen (bijv. stedelijke industriële werknemers, Chakraborty en Subramanya 2013) of mensen die werken in de politiek (McCarthy, Trougakos et al. 2016) hebben een minderheid van vrouwelijke deelnemers. Design Een overgrote meerderheid van de studies gebruikt een cross–sectionele studie opzet. Sommige doen herhaalde metingen en andere slechts één meting. De studies die het effect van interventies of screeningsinstrumenten onderzoeken zijn RCTs. Het grootste deel van de gegevens zijn verzameld in de vorm van zelfrapportage onderzoeken of klinische vragenlijsten, terwijl voor sommige studies ook onderzoek is gedaan aan de hand van medische dossiers. De 83 geïncludeerde studies zijn geanalyseerd om de volgende vragen te verhelderen: In hoofdstuk 4 wordt de vraag behandeld: wat zijn de meest toegepaste behandelingen en prognose van angststoornissen?; Wat is bekend over de risico’s op het ontwikkelen van angststoornissen? wordt behandeld in hoofdstuk 5; Welke factoren van invloed zijn op het ontwikkelen van angststoornissen in de werkcontext en welke factoren van invloed zijn op de arbeidsparticipatie van mensen met een angststoornis, wordt behandeld in hoofdstuk 6 en 7; In hoofdstuk 8 wordt de vraag behandeld: welke instrumenten er zijn om het arbeidsvermogen van mensen met een angststoornis te beoordelen; het laatste hoofdstuk behandeld de vraag: Welke interventies en programma’s er bestaan om arbeidsparticipatie van mensen met een angststoornis te verhogen en wat de effectiviteit daarvan is.
Hoofdstuk 4. Wat zijn de prevalentie, incidentie, (meest) toegepaste
behandelingen, en prognose van angststoornissen (in Nederland)? Om het belang van het onderzoek te ondersteunen, hebben wij eerst de prevalentie en incidentie van angststoornissen in Nederland uiteengezet gebaseerd op gegevens van grootschalig bevolkingsonderzoek (De Graaf et al., 2012). Daarna hebben wij de verschillende richtlijnen geanalyseerd om beter begrip te krijgen van de huidige methoden voor behandeling van angst. Hieronder worden de belangrijkste bevindingen beschreven.
4.1. Prevalentie en incidentie van angststoornissen in Nederland
Angststoornissen komen veel voor onder de Nederlandse bevolking. Tussen 2007 en 2012 is een grootschalig onderzoek uitgevoerd onder de naam ‘Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2’ (NEMESIS-2) naar, onder andere, het psychisch welzijn van Nederlandse volwassenen (De Graaf et al., 2010 ;De Graaf et al., 2012). Uit dit representatieve bevolkingsonderzoek, waar 6.646 personen tussen de 18 en 64 jaar voor werden geïnterviewd, kwam naar voren dat ongeveer 10,1% van de Nederlandse volwassenen in de 12 voorgaande maanden leed aan een angststoornis (De Graaf et al., 2012). Verder bleek dat ongeveer 19,6% ooit in hun leven aan een angststoornis leed (De Graaf et al. 2010). Tot de meest voorkomende angststoornissen behoren sociale fobie (7,7%), specifieke fobie (5,5%) en gegeneraliseerde angststoornis (3,6%) (De Graaf et al. 2010). Angststoornissen lijken meer voor te komen onder vrouwen dan bij mannen (De Graaf et al., 2012). Dit bevestigt het geschetste beeld dat veel gevallen onopgemerkt blijven of verkeerd worden gediagnosticeerd, zie BOX 1. Dit heeft onder andere te maken met de verschillende typen angststoornissen die zich op verscheidene manieren uiten en een uniek verloop hebben. Reflectie op de resultaten vanuit de praktijk BOX 1. Beperkte onderkenning angststoornissen Een terugkerend thema in de interviews is dat angststoornissen nog te weinig onderkend worden. Volgens participanten komt dit voor onder zowel patiënten als hulpverleners uit de algemene en geestelijke gezondheidszorg. “Angst wordt vaak niet onderkent maar ook niet door psychologen, door huisartsen vaak ook niet. Bedrijfsartsen vaak niet, ik betrap mijzelf er ook vaak op” Een mogelijke verklaring die in de interviews naar voren komt is dat angststoornissen vaak gepaard gaan met andere aandoeningen, waardoor zij lastig te onderscheiden zijn. Daarnaast beschrijven deelnemers van de invitational conference en de interviews dat er onder bepaalde groepen een mentaliteit heerst die het bespreekbaar maken van angstklachten belemmert. “Een van de dingen die wel meespelen, is dat het natuurlijk een machocultuur is. De mannen die ik spreek, laten het ook niet zien totdat er een knak is. De cultuur is zo: als je tot drie uur moet werken, doe je nog even een bakkie, hang je rond tot vier”
4.2. Behandelingen voor angststoornissen
Zorgprogramma’s voor angststoornissen worden beschreven in het Zorgpad Angststoornissen, gericht op volwassenen vanaf 18 jaar met angstproblematiek (2014). In het huidige beleid worden patiënten waarbij het vermoeden is van een angststoornis verwezen naar de huisarts. Wanneer er sprake is van een angststoornis zal behandeling worden gestart uitgaande van het stepped-care model. Dit houdt in dat waar het mogelijk is vooral lichte interventies worden toegepast en zwaardere behandelingen slechts voorgeschreven worden waar nodig. In de huidige Nederlands Huisartsen Genootschap-Standaard Angst (2012) wordt onderscheid gemaakt tussen angstklachten en angststoornissen. De aanwezigheid van angstklachten, beschreven als ‘normale angst’, geeft een verhoogd risico op een angststoornis. Voor angstklachten wordt in eerste instantie voorlichting met 21 regelmatige controles voorgeschreven en kan eventueel problem-solving treatment (PST) worden toegepast. Deze behandeling kan door getrainde hulpverleners in de eerste lijn worden toegepast en draait om het oplossen van problemen in het dagelijks leven van de patiënt om psychische klachten te verminderen. Reflectie op de resultaten vanuit de praktijk BOX 2. Richtlijnen Een terugkerend thema in de interviews is dat de huidige richtlijnen voor diagnostisering en behandeling van angststoornis niet praktisch genoeg zijn. “Ik heb toevallig recent de richtlijnen doorgenomen. Ik heb het gevoel dat de richtlijnen toch best ver van de realiteit af zijn”. Er wordt aangegeven dat huidige richtlijnen te vaak gericht zijn op de diagnose afbakenen en de complexiteit en individualiteit van angststoornissen onvoldoende meenemen. “Laat mij het eerste onderzoek zien dat ik direct kan vertalen naar een persoon die tegenover in de spreekkamer. Met een soort blauwdruk die ik erop kan leggen, nou die is er niet.” De bedrijfsartsen geven aan dat richtlijnen met betrekking tot het proces van diagnose en behandeling beter recht zouden doen aan het individuele karakter van angststoornissen. “Dat is heel ingewikkeld en individueel waarin zoveel zaken tegelijk zijn gebeurd dat ik mij wel kan voorstellen dat je in een richtlijn kan plaatsen zorg voor een goede anamnese zorg dat je aan alles aandacht besteed.” Hoewel er door de meeste participanten een behoefte uitgesproken wordt voor betere, praktijkgerichte richtlijnen, wordt er door sommigen ook een kritische noot geplaatst bij het ontwikkelen van nieuwe richtlijnen. Een verzekeringsarts merkt op: “Nu zeg ik iets wat ik eigenlijk helemaal niet mag zeggen. Hoe zinnig is het om nog een verzekeringsgeneeskundig protocol over deze onderwerpen te schrijven? Zou je niet moeten aansluiten bij een of ander bestaande multidisciplinaire richtlijn?” In het Zorgpad Angststoornissen (2014) worden vier behandelinterventies beschreven voor patiënten met angstproblematiek, gebaseerd op de multidisciplinaire richtlijn Angststoornissen en de NHG-Standaard Angst:
-
basisinterventies;
-
begeleide zelfhulp/e-health, fysieke inspanning, en psychosociale interventies;
-
kortdurende psychologische behandeling;
-
medicatie en psychotherapie.
Wanneer er sprake is van een angststoornis wordt altijd gestart met basisinterventies zoals voorlichting en zal verdere behandeling afhangen van de ernst van de klachten, het type angststoornis en eventuele comorbiditeit. Bij posttraumatische stressstoornis (PTSS) of obsessieve-compulsieve stoornis (OCS) kunnen patiënten verwezen worden voor specialistische behandeling zoals Eye Movement Desensitisation and Reprocessing (EMDR). In de behandeling van gegeneraliseerde angststoornis, sociale fobie, paniekstoornis, specifieke fobie en hypochondrie staat cognitieve gedragstherapie (CGT) centraal. Daarbij kan in sommige gevallen ook medicatie voorgeschreven worden, eventueel in combinatie met enigerlei vorm van psychotherapie. Naast het geven van voorlichting wordt in eerste instantie begeleide zelfhulp gebaseerd op cognitieve gedragstherapeutische technieken voorgeschreven. Dit kan bijvoorbeeld onder begeleiding van de huisarts of op afstand met behulp van e-health toepassingen. Hierbij gaat de patiënt zelf aan de slag met informatie uit boeken of van internet om controle te krijgen op de angst. De hulpverlener begeleidt door vragen te beantwoorden, te motiveren en de voortgang te bespreken. Er worden geen specifieke methoden genoemd in de NHG-Standaard. Voor informatie over actuele zelfhulpmiddelen wordt verwezen naar de stichting Angst, Dwang en Fobie. In het Zorgpad Angststoornissen (2014) wordt voor informatie over begeleide zelfhulpinterventies verwezen naar www.angstklachten.nl.. Een tweede behandeloptie die wordt gegeven in de NHG-Standaard is cognitieve gedragstherapie onder begeleiding van een psycholoog of psychiater. Deze vorm van therapie draait om het aanpassen van cognities en gedrag rondom angsten. Er wordt patiënten geleerd te reflecteren op bepaalde angstige gedachten die de stoornis in stand kunnen houden. Door nieuwe gedachtepatronen aan te leren kunnen patiënten deze negatieve cirkel doorbreken. Daarnaast wordt gedrag van patiënten aangepakt wat de angststoornis in stand kan houden. Vaak zijn dit gedragsvormen als vermijding die de angst op korte termijn verminderen, maar op de lange termijn juist in stand houden. Onderdeel van de gedragsaanpak is bijvoorbeeld afspraken maken met de patiënt en exposure in vivo. Naast cognitieve gedragstherapie wordt recentelijk steeds vaker op mindfulness gebaseerde cognitieve therapie (MBCT) voorgeschreven, wat effectief blijkt bij veel angststoornissen. Bij angststoornissen kan ook medicamenteuze behandeling voorgeschreven worden, eventueel in combinatie met niet-medicamenteuze behandelingen. De voornaamste geneesmiddelen die gebruikt worden zijn selectieve serotonine heropname remmers (SSRI), tricyclische antidepressiva (TCA) en bètablokkers. Antidepressiva als SSRI en TCA hebben bij de meeste angststoornissen een positief effect. Hierbij is er een lichte voorkeur voor SSRI vanwege de bijwerkingen, dosering en daarbij horende therapietrouw. Tot de voorgeschreven SSRI horen sertraline, paroxetine en citalopram. Onder de voorgeschreven TCA vallen clomipramine en imipramine. Bij beide type medicaties wordt gestart met een lage dosis die na twee weken kan worden opgehoogd tot een streefdosis. Wanneer de medicatie voldoende effect heeft wordt het ten minste zes tot twaalf maanden na remissie gecontinueerd, waarna het in een of twee maanden wordt afgebouwd. Voor examen- of podiumvrees kan incidenteel de bètablokker propranolol worden gebruikt. Reflectie op de resultaten vanuit de praktijk
BOX 3. Beloop van behandelproces
In de interviews wordt veel aandacht geschonken aan het beloop van het behandelproces. Deelnemers onderschrijven het belang van het voorkomen van vertraging in de behandeling van angststoornissen, omdat dit de terugkeer naar werk kan belemmeren. Een terugkerend thema is dat patiënten vaak onnodig veel stappen moeten doorlopen om tot de juiste behandeling te komen. “Dan zeg je je moet naar de huisarts toe en voordat diegene medicatie heeft en bij een psycholoog is die de angststoornis kan behandelen zijn we al twee maanden verder. Daar valt wel winst te behalen in Nederland.” Volgens de bedrijfsartsen blijven patiënten te vaak hangen in de start van het behandelproces, waarbij een raktijkondersteuner als eerste behandelaar optreedt, maar daar niet altijd de juiste capaciteiten voor heeft. Een bedrijfsarts zegt over de rol van de POH: “Die gooit er een aantal gesprekken tegenaan en als het dan te weinig effect heeft dan pas worden mensen doorgestuurd zorgt voor een gigantische vertraging waardoor mensen heel lang weg van de arbeidsmarkt zijnn lang van de arbeidsmarkt weg zijn heeft al een verzuimend effect in zich.” De vertraging die in behandelprocessen optreedt wordt gezien als een belangrijke belemmering voor de terugkeer naar werk van patiënten. In de interviews komt herhaaldelijk naar voren dat het bij angststoornissen juist belangrijk is om patiënten zo snel mogelijk weer taken op te laten pakken om “de regie weer in handen te krijgen”. Een punt van frustratie bij de deelnemers is dat andere betrokken behandelaars nog weleens te veel meegeven met patiënten, waardoor de patiënten niet of te weinig geactiveerd worden. “Vaak huilen behandelaars mee en zijn ze te weinig directief en dan gebeurt er ook helemaal niks, iemand voelt zich beroerd en blijft angstig en, nou ja, er gebeurt helemaal niks. Maar zo iemand krijg ik dan niet gemotiveerd”. Referenties De Graaf, R., Ten Have, M., Van Gool, C., & Van Dorsselaer, S. (2012). Prevalentie van psychische aandoeningen en trends van 1996 tot 2009; resultaten van NEMESIS-2. Tijdschrift voor Psychiatrie, 54(1), 27. De Graaf R., Ten Have, M., Van Dorsselaer, S. (2010). De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut. Hassink -Franke L., Terluin B., Heest F. van, Hekman J., Marwijk H. van, Avendonk M. van. (2012). NHG-Standaard Angst (tweede herziening). Huisarts Wet. 55(2):68-77 Trimbos Instituut (2014). Zorgpad Angststoornissen (herziene versie november 2014). Utrecht.
Hoofdstuk 5. Risicofactoren voor het ontwikkelen van
angststoornissen In dit hoofdstuk bespreken we welke risico’s er zijn gevonden voor het ontwikkelen van angststoornissen in de werkcontext. Uit het literatuuronderzoek blijkt dat zowel persoonlijke als omgevingsfactoren een rol spelen bij het ontwikkelen van angststoornissen. Het gaat hierbij zowel om geclassificeerde angststoornissen als om angstklachten.
5.1. Persoonlijke factoren
De invloed van persoonlijke factoren op het risico van het ontwikkelen van angststoornissen werd alleen in de kwantitatieve artikelen besproken. In sommige studies is vooral onderzoek gedaan naar demografische aspecten die van invloed zijn op het ontwikkelen van een angststoornis. Verschillende onderzoeken beschrijven dat vrouwelijke werknemers een groter risico hebben op het ontwikkelen van angstklachten en vaker een langdurig ziekteverzuim hebben (Foss et al., 2010; LaMontagne et al., 2012). Eén review onderzocht de impact van persoonlijke factoren op angstklachten in relatie tot werk (Cornelius et al., 2011). De factoren die verband houden met een hoger risico op de ontwikkeling van een beperking door mentale en geestelijke gezondheidsklachten is socio-economische status (SES). Cornelius et al. (2011) onderzochten de invloed van biologische factoren op het risico van het ontwikkelen van een angststoornis. Volgens deze systematische literatuurreview zijn hogere leeftijd en het vrouwelijke geslacht risicofactoren voor het ontwikkelen van een angststoornis (Cornelius et al., 2011). Uit de studie van LaMontagne et al. (2012) is gebleken dat een hogere leeftijd een risicofactor is voor verscheidene mentale gezondheidsproblemen, waaronder angststoornissen. Ditzelfde onderzoek laat ook zien dat jongvolwassenen, die recent uit elkaar zijn gegaan of alleenstaand zijn en veel uren werken, een significant hoger risico hebben op het ontwikkelen van een angststoornis. Toewijding aan werk en een energieke werkwijze zijn onderzocht in een Noorse studie van Innstrand et al. (2012) Aan het onderzoek namen 3475 participanten deel vanuit verschillende beroepsgroepen: leraren, advocaten, buschauffeurs, etc. De onderzoekers vonden dat een energieke werkwijze op T1 negatief geassocieerd was met het risico op de ontwikkeling van angstsymptomen op T2 (2 jaar later), terwijl een hoog niveau van toewijding op T1 positief geassocieerd werd aan de angstsymptomen op T2. LaMontagne et al. (2012) hebben in hun werk aangetoond dat volwassenen, met niet-traditionele genderrollen in de werkomgeving, een significant hoger risico hebben op het ontwikkelen van angst
5.2. Omgevingsfactoren
In het huidige onderzoek zijn enkel werkgerelateerde omgevingsfactoren onderzocht. Die factoren werden zowel in reviews als in kwantitatieve artikelen besproken. In het onderstaande stuk beschrijven wij de resultaten van de verschillende typen artikelen en vatten deze samen in een tabel. Reviews: De reviews onderzochten werkgerelateerde omgevingsfactoren en hun effect op de geestelijk gezondheid (o.a. het risico op angststoornis en de ernst ervan). Onder de reviews in deze groep vallen degenen die onderzoek doen naar de invloed van werkgerelateerde factoren (bijv. werkloosheid, de kwaliteit en de continuïteit van de professionele zorg en de ondersteuning door begeleiders) op het risico op de ontwikkeling van een angststoornis-gerelateerde beperking of sneller herstel van de symptomen (Cornelius, Klink, Groothoff, & Brouwer, 2011). De studie van Cornelius et al. (2011) onderzoekt de associatie tussen de bovengenoemde factoren en arbeidsongeschiktheidsuitkering. De uitkomst van het onderzoek is dat er beperkt bewijs is voor bovengenoemde associaties. Andere studies hebben het mogelijke verband onderzocht tussen werken na de pensioengerechtigde leeftijd en het risico op angstklachten (Maimaris, Hogan, & Lock, 2011) of het werken van langere dagen en angststoornissen en/of angstklachten (Bannai & Tamakoshi, 2014; Nicolle-Mir, 2014). Het werken na de pensioengerechtigde leeftijd bleek een positief effect op de geestelijke gezondheid te hebben (Maimaris et al., 2011), terwijl het werken van langere dagen het risico op de ontwikkeling van een angststoornis verhoogt (Bannai & Tamakoshi, 2014; Nicolle-Mir, 2014). Een artikel onderzocht de rol van de werkgelegenheid als een sociale determinant van de gezondheid door middel van het bestuderen van het verband tussen de arbeidssituatie en de geestelijke gezondheid (Hergenrather, Zeglin, McGuire-Kuletz, & Rhodes, 2015). Het hebben van werk is geassocieerd met een verbetering van de geestelijke gezondheid (lagere psychologische distress, depressie en angst), terwijl werkloosheid gecorreleerd was met een verslechtering van de geestelijke gezondheid (verhoogde depressie, angst en distress). De laatste studie van White et.al. 2013 onderzocht veranderbare werkgerelateerde factoren die een invloed hebben op het risico van beperkingen als gevolg van geestelijke gezondheidsproblemen (White et al., 2013). De auteurs vonden dat sociale steun, verhoogde fysieke eisen van het werk, spanning op het werk, het ontbreken van steun van de begeleiders, verhoogde werkdruk, lage werktevredenheid, lage werknemer controle over de inhoud en functies van een baan en slecht leiderschap de factoren zijn die een rol spelen bij het ontwikkelen van geestelijke gezondheidsproblemen en het verergeren van symptomen. Kwantitatieve: Ten eerste blijkt werk zelf een beschermende factor tegen angst en angstklachten te zijn voor mannelijke en vrouwelijke werknemers zonder kinderen (Plaisier et al., 2008). In deze studie is gebruik gemaakt van een steekproef uit de data van de Nederlandse NEMESIS-studie van 3.857 volwassenen tussen de 25-55 jaar. De onderzoekers hebben geanalyseerd welke associaties er zijn tussen (combinaties van) sociale rollen (werknemer, partner en ouder) en de prevalentie van angst- en depressiestoornissen, en of sociale rollen bijdragen aan de verklaring dat er een vrouwelijke dominantie is bij deze aandoeningen. De resultaten laten zien dat een voltijd dienstverband een groot voordeel is voor de mentale gezondheid van mannen, en het hebben van geen baan of een deeltijdbaan was sterk geassocieerd met slechte mentale gezondheidscondities onder mannen, maar niet onder vrouwen (Plaisier et al., 2008). Over het algemeen stelt de studie dat werkende vrouwen, zonder kinderen, een betere mentale gezondheid hebben dan nietwerkende vrouwen. Een Zweedse studie die de gegevens analyseerde van 672 werkende volwassenen (met en zonder angststoornis) laat zien dat arbeidsvoorwaarden een significante invloed hebben op het risico op de ontwikkeling van angst en ziekteverzuim (Waldenström et al., 2008). Het onderzoek laat zien dat verminderde instrumentele, collegiale ondersteuning en verslechterde psychosociale kenmerken van de werkomgeving een negatief effect hebben op angstklachten. Het is echter belangrijk te vermelden dat dit negatieve effect op depressie significant is maar dat dit niet voor angst geldt. Deze resultaten worden gedeeltelijk ondersteund door de resultaten van een Noorse studie (Foss et al., 2010). In hun werk, op basis van een steekproef van 8.333 werknemers die risico lopen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, hebben ze aangetoond dat algemene mentale distress en verminderde steun van de leidinggevende een significant effect heeft op het risico op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Daarnaast concluderen ze dat de werkomgeving mensen mentale problemen kan geven in plaats van dat een slechte geestelijke gezondheid leidt tot het kiezen van een baan met een slechte werkomgeving. Verder bleek dat de aard van de werkzaamheden effect heeft op het risico op het ontwikkelen van angstklachten en het risico op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Een Noorse studie van Torske (2015) toont aan dat boeren een tweemaal zo hoog risico hebben om een arbeidsongeschiktheidsuitkering te krijgen (gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht HR 2,07, 95% CI 1,80-2,38) dan hoger opgeleide werknemers (Torske, Hilt, Bjørngaard, Glasscock, & Krokstad, 2015). Dit wordt verder beïnvloed door de aanwezigheid van angstsymptomen. Boeren met angstklachten hebben een 51% verhoogd risico op arbeidsongeschiktheidspensioen dan boeren zonder angstklachten (HR 1,51, 95% CI 1,23-1,86). De grootste voorspeller voor de ontwikkeling van angstklachten en angst-gerelateerd ziekteverzuim blijkt het werken van meer uren te zijn. Deze link is in verschillende studies onderzocht. Een Japanse studie analyseerde de kenmerken van 715 mannelijke dagdienst werkers in een chemische fabriek, waaruit bleek dat het werken van meer uren een significante factor is voor de ontwikkeling van angst (Nagashima et al., 2007). Zij concludeerden dat de werkuren minder dan 260 uur per maand moeten zijn om vermoeidheidsklachten bij mannelijke dag arbeiders te minimaliseren in Japan (Nagashima et al., 2007). Deze resultaten worden ondersteund door een Nederlandse studie, op basis van de NEMESIS-studie, die heeft aangetoond dat het werken van lange dagen een verhoogd risico geeft op de ontwikkeling van angst en angstklachten bij mannen (Plaisier et al., 2008). Een Britse studie heeft ook onderzoek gedaan naar de associatie tussen lange werkdagen en het ontstaan van angst- en depressie symptomen bij werknemers van middelbare leeftijd (Virtanen et al., 2011). De studie bevatte een steekproef van 2.960 werknemers en liet een gevarieerd patroon zien. De studie suggereert dat er een associatie is tussen lange werkdagen en daaropvolgende depressieve en angstklachten, met name onder vrouwen. De auteurs suggereren dat er verder onderzoek moet worden gedaan naar de causaliteit van de associatie. Als dit bevestigd wordt zouden lange werkdagen erkend moeten worden als een mogelijke risicofactor voor het ontwikkelen van angst en depressie bij vrouwen (Virtanen et al., 2011). Een Australische studie van 1.087 werkende volwassenen heeft ook aangetoond dat lange werktijden de enige gemeten werkgerelateerde factor was die geassocieerd bleef met een slechte geestelijke gezondheid na correctie voor sociaal demografische factoren (LaMontagne et al., 2012). Tabel 2 Factoren die risico van ontwikkelen van angststoornis beïnvloeden Categorie / factor Aantal studies Referentie Geassocieerd met een risico voor het ontwikkelen van angstklachten en/of een angststoornis (+ positieve, - negatieve associatie) Sterkte van bewijs Persoonlijke factoren Geslacht (vrouwelijk) 2 Foss et al., 2010; LaMontagne et al. 2012 + Redelijk Hoge leeftijd 2 Cornelius et al., 2011 LaMontagne et al. 2012 Hoog Lage SES 1 Cornelius et al., 2011 + Hoog Energieke werkwijze 1 Innstrand et al., 2012 - Hoog Toewijding 1 Innstrand et al., 2012 + Hoog Niet-traditionele gender rollen + 1 LaMontagne et al. 2012 + Hoog Reactie op werkgerelateerde stress 1 Foss et al., 2010; + Redelijk Omgevingsfactoren Lange werkdagen 4 Virtanen et al., 2011; Bannai & Tamakoshi, 2014; Nicolle-Mir, 2014; Nagashima et al., 2007 + Laag/ redelijk Het ontbreken van ondersteunende werkcondities en steun van leidinggevende 3 Cornelius et al., 2011; Sanderson et al., 2008 White et al., 2013; Waldenström et al., 2008 - Hoog Werkloosheid 2 Cornelius et al., 2011; Plaisier et al., 2008 - Redelijk/ho og Hoge werkdruk 1 Melchior, Berkman, Niedhammer, Zins, & Goldberg (2007) + Laag Soort werk (boer) 1 Torske et al., 2015 + Hoog Lage kwaliteit van- en discontinuïteit in de professionele zorg 1 Cornelius et al., 2011 + Hoog Werken na de pensioengerechtigde leeftijd 1 Maimaris et al., 2011 - Redelijk Arbeidssituatie 1 Hergenrather et al., 2015 Hebben van werk – positief; werkloosheid - negatief - Ontbreken van sociale steun, verhoogde fysiek eisen van het 1 White et al., 2013 + Hoog werk, spanningen op het werk, het ontbreken van ondersteuning van de begeleiders, verhoogde werkdruk, lage werktevredenheid, lage werknemers controle van de baan, en slecht leiderschap
Hoofdstuk 6. De invloed van een angststoornis op (de prognose voor)
arbeidsparticipatie De invloed van angststoornissen op de arbeidsparticipatie werd zowel in de reviews als in de kwalitatieve en kwantitatieve artikelen besproken. Om de resultaten uit het literatuuronderzoek overzichtelijk te presenteren beschrijven wij eerst de resultaten van reviews, gevolgd door de resultaten van de kwalitatieve artikelen en kwantitatieve studies. De resultaten worden samengevat weergegeven in een tabel. Review: Slechts één van de reviews brengt recente, beschrijvende en sociaal-epidemiologische studies naar geestelijke stoornissen op de werkplek samen, inclusief de prevalentie, participatie, arbeidsongeschiktheid, en de impact van de kwaliteit van werk. Het tweede doel van deze review was om de gevolgen te bespreken van het identificeren van targets voor klinische en preventieve interventies (Sanderson & Andrews, 2006). Onder de belangrijkste resultaten voor werknemers met een angststoornis is het feit dat de aanwezigheid van angststoornissen meestal in verband wordt gebracht met presentisme en niet met ziekteverzuim. Ook lijken mensen met fobieën en angststoornissen een hogere arbeidsparticipatiegraad te hebben dan mensen met andere aandoeningen (Sanderson & Andrews, 2006). Kwalitatieve artikelen: Twee kwalitatieve artikelen onderzochten het effect van angst op het werk en de werksituatie van de patiënten. Eén artikel presenteert onderzoek naar het effect van angst op het werk en de werksituatie van de patiënten met angststoornissen (en depressie). In deze studie onderzochten Haslam et al. (2005) de effecten van angst en depressie en de behandelingen van deze condities op de prestatie en de veiligheid van de werkplek. Tijdens het onderzoek werden negen focusgroepen gehouden met werkende mensen die angststoornissen en/of depressie hebben. Daarnaast waren er drie focusgroepen met deelnemers vanuit HR en arbodienst. In totaal zijn 74 individuen geïncludeerd (18-60 jaar oud). De resultaten werden aan een panel van arbeidsgezondheidsexperts gepresenteerd zodat zij mogelijke klinische implicaties konden bediscussiëren. Eén van de onderwerpen tijdens deze discussie was het effect van medicatie op de arbeidsprestatie. Werknemers gaven aan dat zowel medicatie als de symptomen hun werkprestatie verminderde. Zij beschreven een aantal ongelukken (inclusief arbeidsletsels) die hadden bijgedragen aan hun conditie of bijwerkingen van hun medicatie. De participanten merkten op dat zij grotendeels onvoorbereid waren op het feit dat de medicatie een negatieve invloed zou kunnen hebben op hun gezondheid en kwaliteit van leven. Mede door deze bijwerkingen, gaf meer dan tweederde van de participanten aan dat zij hun medicatie niet innamen. Ondanks dat er ondersteuning nodig was om werknemers te helpen in het omgaan met deze situatie, waren zij twijfelachtig om hun angststoornis te melden wegens hun angst voor stigma. Kwantitatieve: Er zijn 30 studies geïdentificeerd die de effecten van aandoening-gerelateerde factoren op de arbeidsparticipatie onderzocht hebben. De meest onderzochte factor was de aanwezigheid van een diagnose van angststoornis zelf, of een voorgeschiedenis van angststoornissen. Dit blijkt een sterk negatieve invloed te hebben op de werkgerelateerde uitkomsten: verhoogde kans op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, verhoogd risico van vertraagde terugkeer naar werk, etc. Ook lijkt de voorgeschiedenis van de angststoornis een negatieve invloed te hebben op de uitkomsten van de huidige episode van angstproblemen. Twee studies (Hilton et al., 2009; Prang et al., 2016) lieten zien dat, tegen de verwachtingen in, medicatie en andere behandelingen een negatieve invloed lijken te hebben op terugkeer naar werk. Een van de verklaringen hiervoor is dat indien mensen medicatie krijgen, de symptomen van angst ernstiger zijn. Een aantal studies (Matthews, 2005; Bystritsky et al., 2010; Stein et al., 2005; Muschalla & Linden, 2014) laat zien dat verschillende angststoornissen verschillende effecten op werkgerelateerde uitkomsten hebben. Van alle angststoornissen die in de praktijk beschreven worden, hebben PTSS (Post-traumatische stress stoornis), paniekstoornis en werk-relateerde angst de sterkste negatieve invloeden op de werkgerelateerde uitkomsten: terugkeer naar werk, duur van ziekteverzuim etc. In een studie van Banerjee et al. (2014) is onderzocht of de duur van een gegeneraliseerde angststoornis (GAD) invloed heeft op werkgerelateerde uitkomsten. Uit de studie is gebleken dat de duur van een episode van de gegeneraliseerde angststoornis het meest schadelijk is voor de werkgerelateerde uitkomsten, gevolgd door symptomen gerelateerd aan problemen met het onder controle houden van piekeren en symptomen van piekeren, angsten en nervositeit, die emotionele stress bij zowel mannen als vrouwen veroorzaken. Er zijn geen significante nadelige effecten van een paniekaanval en sociale fobie op werkgerelateerde uitkomsten gevonden. Tabel 3 Effect van aandoening-relateerde factoren op arbeidsparticipatie Factor Aantal studies Referentie Significant effect op arbeidsparticipatie Sterkte van bewijs Diagnose van angststoornis (of andere psychiatrische aandoening) en/of symptomen van angst en/of voorgeschiede nis van angststoornis 25 Belleville et al., 2012 Bouwmans et al., 2014 Buist‐Bouwman et al., 2005 Chakraborty & Subramanya, 2013 D'Souza et al., 2006 Erickson et al., 2009 Esposito et al., 2007 Flach, Groothoff, Krol, & Bültmann, 2012 el-Guebaly et al., 2007 Hendriks et al., 2015 Plaisier et al., 2012 Knudsen et al., 2013 Matthews, 2005 Muñoz, Medina-Mora, Borges, & Zambrano, 2007 Muschalla & Linden, 2012 Muschalla, 2016 Roelen et al., 2014 Ruitenburg, Frings-Dresen, & Sluiter 2012 Stein et al., 2005 Sudhir et al., 2012 Torvik et al., 2014 Waghorn et al., 2005 Wedegaertner et al., 2013 Zatzick et al., 2008 Negatief Hoog Diagnose van angststoornis 1 Sanderson & Andrews, 2006 Negatief, maar wel gelinkt aan presentisme Hoog Medicatie of andere behandeling 3 Haslam & Atkinson et al., 2005 Hilton et al., 2009 Prang et al., 2016 Negatief Redelijk PTSS en/of Paniek stoornis 4 Bystritsky et al., 2010 Matthews, 2005 Matthews, Harris, & Cumming 2009 Stein et al., 2005 Negatief Redelijk Werkplekfobie of werkstress 2 Muschalla et al., 2010 Muschalla & Linde, 2014 Negatief Redelijk Geschiedenis van ziekteverzuim 2 Prang et al. 2016 Sanderson et al., 2008 Negatief Redelijk Lengte van de GAD (angststoornis) periode 1 Banerjee, Chatterji, & Lahiri, 2014 Negatief Laag Reflectie op de resultaten vanuit de praktijk BOX 4. Angst en comorbiditeiten De relatie tussen angst en comorbiditeiten werd zowel in de interviews als in de focusgroep besproken. Een van de thema’s betrof de vele verschillende vormen van angststoornissen en de bijbehorende achtergrond: “De variaties in angststoornissen maakt het ingewikkeld om tot een goed advies te komen”. Daarnaast werd tijdens de focusgroep door iedereen benadrukt dat de verschillende angststoornissen niet passen in de huidige richtlijnen en deze daardoor moeilijk te gebruiken zijn. De invloed van angst op werk is persoonlijk en uniek: “de ene angst is helemaal niet beperkend voor bepaalde werkzaamheden en voor andere werkzaamheden wel.” Comorbiditeiten zijn ook van belang voor het terugkeerproces. In de focusgroep en interviews werd benoemd dat een comorbiditeit met verslavingen leidt tot een belemmering in het terugkeerproces. Hierbij wordt aangegeven dat het prioriteren van bepaalde onderdelen van het behandelproces weerstand kan oproepen bij cliënten en kan leiden tot stagnatie. “Behandelland zegt eerst alcoholprobleem oplossen, dan de angststoorni,s maar dat willen die mensen vaak helemaal niet. Zij willen van hun angst af. Daar hebben zij het meeste last van. Hierdoor ontstaat dus dat mensen niet meewerkend zijn en gebeurt er dus niks.” In de interviews komt naar voren dat het belangrijk is om comorbiditeit te onderkennen en mogelijkheden te verkennen voor gecombineerde behandelingen. De deelnemers erkenden ook dat comorbiditeit met andere ziektebeelden het stellen van een diagnose lastig kan maken wat een negatief effect kan hebben op een spoedige werkhervatting.
Hoofdstuk 7. De invloed van de persoonlijke, omgevings- en
activiteiten gerelateerde factoren op de werkgerelateerde uitkomsten van mensen met een angststoornis Er zijn één review en 43 kwantitatieve studies gevonden die een of meerdere effecten op de arbeidsparticipatie onderzocht hebben. De resultaten zullen hieronder in de 3 secties van het model worden besproken: effect van persoonlijke factoren op werkgerelateerde uitkomsten, effect van omgevingsfactoren (incl. werkcontextgerelateerde factoren als type werk, grootte van de organisatie, mate van begeleiding en ondersteuning) en effect van functioneren en activiteiten gerelateerde factoren (i.e. stress resistentie, timemanagement etc.). Met werkgerelateerde uitkomsten worden alle uitkomsten bedoeld die op de één of andere manier gelinkt zijn aan werk, zoals terugkeren naar werk, verminderd ziekteverzuim, arbeidsproductiviteit etc.
7.1 Invloed van persoonlijke factoren op werkgerelateerde uitkomsten
Van de geïdentificeerde kwantitatieve studies, hebben er 9 onderzoek gedaan naar de invloed van persoonlijke factoren op werkgerelateerde uitkomsten. Alle studies hebben kwantitatieve data verzameld. De factoren die onderzocht zijn waren: leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, geschiedenis van traumatische ervaringen, sociaal eonomische status en extraversie en georganiseerde persoonlijkheid. Alle deze factoren blijken statistisch significante effecten te hebben op de werkgerelateerde uitkomsten voor mensen met angststoornissen en andere psychiatrische problemen. Tabel 4 Effect van persoonlijke factoren op werkgerelateerde uitkomsten Factor Referentie Significant effect op arbeidsparticipatie Sterkte van bewijs Leeftijd Prang, Bohensky, Smith, & Collie (2016) ↑ leeftijd ↑ risico op vertraagd TKW Hoog ↑ leeftijd ↑ risico op transitie van ziekteverzuim naar arbeidsongeschiktheidsuitkering Gjesdal, Ringdal, Haug, & Gunnar Mæland (2008) Hoog Cornelius et al. (2011) ↑ leeftijd ↑ risico op ontwikkelen van een angststoornis Hoog Geslacht Esposito et al. (2007) Mannen ↑ negatieve invloed van angststoornissen Laag Foss et al. (2010) Vrouwen ↑ risico op ziekteverzuim bij psychiatrische diagnoses Redelijk Gjesdal et al.( 2008) Vrouwen ↑ risico op transitie van ziekteverzuim naar arbeidsongeschiktheidsuitkering. Mannen ↓ risico van/door verhoogde leeftijd Hoog Muschalla, Linden, & Olbrich (2010) Vrouwen lieten hogere scores zien van persoonlijkheid gerelateerde angst, maar niet voor werkgerelateerde angst Laag Opleidingsniveau Cornelius et al. (2011) Negatief hoge invloed aan ontwikkeling van angststoornis Redelijk Foss et al (2010) Lager opleidingsniveau ↑ risico op ziekteverzuim met psychiatrische diagnoses Traumatische ervaringen Belleville, Marchand, St‐ Hilaire, Martin & Silva (2012) Traumatische ervaringen - ↓ arbeidsparticipatie Laag Izutsu, Shibuya, Tsutsumi, Konishi, & Kawamura (2008) Traumatische ervaringen - ↓ arbeidsparticipatie Sociaal economische status Cornelius et al. (2011) Negatief hoge invloed aan ontwikkeling van angststoornis Hoog Persoonlijkheid Nakamura et al. (2013) Extraverte en georganiseerde persoonlijkheid positief voor terugkeer-naar-werk Laag Het merendeel van de geïdentificeerde studies beschrijft eenzelfde effect van de persoonlijke factoren op de werkgerelateerde uitkomsten. Hogere leeftijd verhoogt het risico van ontwikkeling van symptomen die een negatieve invloed op werkniveau hebben (vertraagde TKW of arbeidsongeschiktheidsuitkering). Daarnaast laten deze resultaten zien dat vrouwen meer kans hebben op negatieve werkgerelateerde uitkomsten. Echter, resultaten van een studie van Esposito, et al. (2007) laat zien dat mannen een hogere kans van negatieve invloeden op werkgerelateerde uitkomsten hebben. Verder hebben een lager opleidingsniveau en traumatische gebeurtenissen een statistisch significante invloed op de arbeidsparticipatie. Persoonlijkheids-gerelateerde factoren hebben niet alleen maar negatieve invloed op werkgerelateerde uitkomsten. Nakamura et al. (2013) hebben in een cohort studie onderzocht welke factoren stimulerend of remmend zijn bij het terugkeren naar het werk na een lange periode van arbeidsverzuim ten gevolge van psychische problemen (Nakamura et al., 2013). Factoren die het terugkeer naar werk bevorderen, waren onder andere ‘extraversie’ (OR=0.787, p=0.011) en ‘organisatie’ (OR=0.630, p=0.006) (met ‘organisatie’ wordt gedoeld op een georganiseerde, nette persoonlijkheid). Reflectie op de resultaten vanuit de praktijk BOX 6. Invloed van omgeving en werkgerelateerde factoren op werkgerelateerde uitkomsten Over het algemeen werd gesteld dat de werkomgeving ontzettend belangrijk is voor een succesvolle terugkeer naar het werk en vermindering van angstsymptomen. Een werkomgeving waarin men een positieve attitude heeft ten opzichte van mensen met angststoornissen bevordert de terugkeer naar werk, o.a. door acceptatie van de betrokken partijen. Daarnaast wordt herhaaldelijk onderstreept dat het positief bekrachtigen van de werkactiviteiten kan helpen om het zelfvertrouwen van patiënten op te bouwen. Een gebrek aan begrip op de werkvloer wordt aangedragen als een belangrijke belemmering voor het herstelproces. “Ze snappen niet dat mensen angststoornissen kunnen hebben; ze denken, er is toch niks aan de hand, er is niks om bang voor te zijn”. In de interviews komt naar voren dat het betrekken van leidinggevenden kan leiden tot meer begrip en een positief effect kan hebben op de terugkeer naar werk van patiënten. Omgevingsfactoren zoals de relatie met de werkgever en de werkomgeving kunnen ook belemmerende factoren zijn in de vorm van een arbeidsconflict, reorganisatie of functioneringsproblemen. De werkomgeving kan ervoor zorgen dat er een cultuur heerst die het aankaarten en bekendmaken van angstklachten bij de werkgever bemoeilijkt vanwege vooroordelen en labeling. “Een bouwvakkercultuur maakt het lastig om over je angstklachten te praten”. Een belangrijke factor in de acceptatie op de werkvloer is de duur van het herstelproces. “Vanuit een werksituatie zijn ze best bereid om gedurende een bepaalde tijd rekening met je te houden maar als het hele herstelproces lang duurt dan merk je dat er fricties ontstaan en mensen op een gegeven moment denken ‘we hebben er nu wel lang genoeg over nagedacht en omheen gelopen en aangepast’.” Over de rol van leidinggevenden zegt een bedrijfsarts: “Het hangt ervan af hoe leidinggevende en werkgever daar mee weten om te gaan. Soms wordt er vrij veel tijd gegeven en zorg voor herstel; maar soms gaat het ook kriebelen bij een leidinggevende van nu is het wel genoeg”. Tijdens de interviews werd een andere belangrijke omgevingsfactor genoemd: het privéleven. “Niet alleen kijken wat hij wel en niet kan, want het privéleven is ook vaak verstoord. Mijn focus is dan vaak dat mensen eerst hun privéleven op orde moeten hebben, voordat er weer richting aan de werksituatie gegeven kan worden”. Privéleven was niet onderzocht in de geïdentificeerde studies. Eén van de mogelijke verklaringen hiervoor kan zijn dat wij specifiek hebben gezocht naar werkgerelateerde onderzoek. Maar de interviews laten zien dat het vaak moeilijk, en ook niet zinnig, is om werk en privé te scheiden. “Soms kun je alles aan interventies proberen, maar zit het probleem toch in de omstandigheden waarvan je denkt: ja, hier kom ik gewoon niet verder mee.”
7.2 Invloed van omgeving en werkgerelateerde factoren op werkgerelateerde
uitkomsten Tijdens de interviews en focusgroep werd veel gesproken over de invloed van werkomgeving en bredere omgeving op werkgerelateerde uitkomsten en terugkeer naar werk. Er zijn daarnaast 8 kwantitatieve studies geïdentificeerd waar die factoren onderzocht werden. Hieronder worden de belangrijkste resultaten beschreven. Uit de literatuur komt naar voren dat een positieve werkomgeving, begeleiding en ondersteuning belangrijke factoren zijn die arbeidsparticipatie bevorderen. In vijf studies (D'Souza et al., 2006; Foss et al., 2010; Plaisier et al., 2012; Prang et al., 2016) worden bevindingen beschreven waaruit blijkt dat deze factoren een positief effect kunnen hebben op de terugkeer naar werk. In meerdere studies wordt beschreven dat het stellen van eisen en opleggen van werkdruk een negatieve invloed hebben op werkgerelateerde uitkomsten van mensen met angststoornissen. Eén van de studies onderzocht het effect van de grootte en het type van een organisatie op de gezondheid en werkgerelateerde uitkomsten van het individu. In een retrospectieve cohortstudie onderzochten Prang et al. (2016) werknemers met mentale gezondheidsklachten in relatie tot terugkeer naar werk. Hierbij was het doel om inzicht te krijgen in voorspellende factoren voor een blijvende terugkeer naar werk en om de voorspellende factoren te onderzoeken die leiden tot ziekteverzuim ten gevolge van werkgerelateerde mentale gezondheidsklachten. Voor deze studie zijn 8358 werknemers geïncludeerd, waarbij tijd tot blijvende terugkeer naar werk als primaire uitkomstmaat werd gebruikt. De frequentie van pogingen om terug te keren naar het werk werd binnen het onderzoek meegenomen als secundaire uitkomstmaat. Reden van ziekteverzuim was onderverdeeld in drie categorieën, namelijk stress-gerelateerde ziekte, posttraumatische stressstoornis (PTSS) en mentale stoornis. Wijze van opgedane letsel was gecategoriseerd in 6 groepen: werkdruk, intimidatie/pesten, andere mentale stressfactoren, mishandeling/geweld op werkplek, blootstelling aan trauma, en andere oorzaak voor letsel. Er is gebleken dat 93,9% van de onderzoekspopulatie blijvend naar hun werk zijn teruggekeerd, terwijl 6,1% (514 deelnemers) niet was teruggekeerd naar hun werk. Hiervan hebben 181 werknemers wel een poging gewaagd om terug te keren naar het werk en 333 hebben geen actie ondernomen voor terugkeer naar werk. Hierbij ging het in 156 van de 514 (30,4%) gevallen om intimidatie/pesterij, in 139 van de 514 (27,0%) gevallen om werkdruk en in 121 van de 514 (23,5%) was er geen terugkeer naar werk in verband met overige mentale stressfactoren. De mediaan voor blijvende terugkeer naar werk was 103 dagen. Mensen met klachten rondom werkdruk hadden de langste tijd (126 dagen) voor terugkeer naar werk terwijl de groep met andere oorzaak voor letsel (zoals auto-ongeluk) de kortste tijd (59 dagen) nodig had voor terugkeer naar werk. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat verschillende factoren een rol hebben gespeeld bij een vertraagde terugkeer naar werk, zoals oudere leeftijd van werknemers, onderdeel zijn van een kleine organisatie, werken in een bepaalde industrie, het raadplegen van een psychiater of een psycholoog, en het gebruik van voorgeschreven medicatie. Aan de andere kant werden werkdruk, geweld of andere mentale stressfactoren, het werken in de publieke administratie en veiligheidsbranche en het hebben van een arbeidsongeschiktheidsverklaring positief geassocieerd met meerdere pogingen voor terugkeer naar werk. Al deze factoren kunnen gezien worden als voorspellende factoren voor hoog risicogroepen en als factoren die het proces van TKW faciliteren. Tabel 5 Effect van omgevings- en werkgerelateerde factoren op werkgerelateerde uitkomsten Factor Studie Effect op werkgerelateerde uitkomsten Sterkte van bewijs Positieve en ondersteunende werkomgeving D'Souza et al. (2006) Foss et al. (2010) Plaisier et al. (2012) Prang et al. (2016) Positief Redelijk Omvang van de organisatie (klein) Prang et al. (2016) Negatief Laag
7.3 Invloed van functioneren en activiteiten gerelateerde factoren op
werkgerelateerde uitkomsten De invloed van functioneren en activiteiten gerelateerde factoren is beschreven in de gevonden literatuur en besproken tijdens de kwalitatieve data verzameling. Er zijn 1 review en 7 kwantitatieve studies gevonden waarin de karakteristieken van het individu onderzocht werden op grond van werkgerelateerd functioneren en activiteiten. Reflectie op de resultaten vanuit de praktijk BOX 7. Activiteiten en functioneren In de interviews wordt het belang van deze factoren herhaaldelijk onderstreept. “Het mentale deel is van ontzettend groot belang: mensen hebben vaak weinig vertrouwen in hun eigen lichaam en hun toekomst” Met name aan zelfvertrouwen, vermijdingsgedrag en coping skills wordt veel aandacht besteed. Een neiging tot vermijdingsgedrag komt tijdens de interviews naar voren als een van de meest belemmerende factoren. “Een van mijn standaard adviezen is probeer vermijden te vermijden want daar wordt het niet beter van. Dan ga je alleen maar je angst vergroten.” Als mensen onzeker zijn hebben ze een neiging om moeilijke situaties te vermijden, maar als de persoon geen exposure heeft tot de angstige situatie, gaat het re-integratie proces langzamer. Er wordt aangegeven dat bijvoorbeeld de aanwezigheid van schaamtegevoelens belemmerend kan werken op de terugkeer naar werk. “Schaamte en zelfstigma van de werknemer over de ziekte en zichzelf kunnen een negatief effect hebben op werkhervatting”. Een ervaringsdeskundige legt uit dat schaamte kan leiden tot het uitstellen van het zoeken van hulp: “uiteindelijk ben ik op aandringen van mijn eh mijn vriend ben ik ehh hulp gaan zoeken en ja eigenlijk waarom ik niet eerder hulp zocht was dat de schaamte te groot was”. Er kan dus sprake zijn van zorgvermijding. Participanten geven aan dat de aanwezigheid van coping skills bij patiënten een belangrijke factor is in de terugkeer naar werk. Er wordt daarom gestimuleerd om patiënten aan te leren hoe zij met specifieke situaties om kunnen gaan om “de regie in eigen handen te nemen”. Hierbij wordt benadrukt dat patiënten in moeten leren zien welke aspecten uit hun omgeving zij wel en niet kunnen beïnvloeden. Zoals een bedrijfsarts beschrijft: “je kunt niet de windrichting veranderen maar wel de stand van je zeilen”. In de focusgroep geven deelnemers aan rekening te houden met werknemers die sensitief zijn voor negatieve stimuli die de re-integratie bemoeilijken. De review van Cornelius et al. (2011) onderzocht tevens de impact van functioneren en activiteiten gerelateerd functioneren in relatie tot werk. De factoren die verband houden met een hoger risico op de ontwikkeling van een beperking door mentale en geestelijke gezondheidsklachten zijn voorgeschiedenis van eerder ziekteverzuim en negatieve herstelverwachting. Zowel emotionele uitputting als slecht timemanagement zijn geassocieerd met negatieve werkgerelateerde uitkomsten (Matthews, 2005; McCarthy, Trougakos, & Cheng, 2015). De studie van Muschalla et.al. (2016) heeft de voorspellende waarde van verschillende aspecten van functioneren onderzocht. Werkgerelateerde sociale angst gaat samen met klinisch relevante verslechtering van de mate van assertiviteit (M=2.40), angst gaat samen met een verslechtering van het uithoudingsvermogen (M=2.20) en werkgerelateerde gegeneraliseerd angst gaat samen met een verslechtering in het nemen van beslissingen (M=1.82). Alle specifieke dimensies in capaciteitsverslechtering zijn gerelateerd aan de duur van het ziekteverlof. Eén van de studies onderzocht de relatie tussen terugkeer naar werk self-efficacy (TKW-SE) en terugkeer naar werk (TKW) (Nieuwenhuijsen, Noordik, van Dijk, & van der Klink, 2013). Het uitgangspunt is dat TKWpercepties daadwerkelijke TKW voorspellen in werknemers met algemene psychische stoornissen. Het onderzoek laat zien dat, vergeleken met TKW-verwachtingen, verschillen in TKW-SE in hogere mate daadwerkelijke TKW voorspellen. Het onderzoek concludeert dat het TKW-SE-instrument gebruikt kan worden voor het identificeren van werknemers met veel voorkomende psychische aandoeningendie een risico lopen op een langzame TKW. Nakamura et al. (2013) hebben in een cohortstudie onderzocht welke factoren stimulerend of remmend zijn bij het terugkeren naar het werk na een lange periode van arbeidsverzuim ten gevolge van psychische problemen (Nakamura et al., 2013). Zorgelijke gedachten zoals “Bezorgdheid omtrent fouten” (OR=1.401, p=0.009) kwam naar voren als een belemmerende factor voor terugkeer naar werk. Controlebehoefte zoals “Neuroticisme” (OR=0.782, p=0.042) bleek een faciliterende factor. Onder “neuroticisme” valt angst, agressie, vijandigheid, depressie, zelfbewustzijn, impulsiviteit en kwetsbaarheid. De periode van arbeidsverzuim werd geassocieerd met psychologische stress buiten het werk (p=0.741), terwijl depressie, angst en psychologische stress op de werkvloer niet geassocieerd werd met de duur van arbeidsverzuim. Tabel 6 Effect van functioneren en activiteiten gerelateerde factoren op werkgerelateerde uitkomsten Factor Referentie Significant effect op werkgerelateerde uitomsten Sterkte van bewijs Behoefte aan controle Neurotische persoonlijkheidstrekken Nakamura et al., 2013 Positief voor terugkeer-naarwerk Laag Behoeften aan zelfcontrole Diestel & Schmidt, 2012 SCDs expert mediator Longitudinale effecten in de relatie tussen werkdruk en vermoeidheid, angst, en het aantal dagen afwezig zijn. Laag Zorgelijke gedachten Vermogen tot beheersen van zorgelijke gedachten Banerjee et al., 2014 Positief Laag Bezorgdheid omtrent fouten Nakamura et al., 2013 Negatief Laag Emotionele uitputting Verminderd uithoudingsvermogen door sociale angst Muschalla et al., 2016 Negatief Laag Emotionele uitputting McCarthy et al., 2015 Negatief Hoog Zelfwerkzaamheid Slechte tijdsplanning Matthews, 2005 Negatief Laag Verminderde assertiviteit en besluitvaardigheid Muschalla et al., 2016 Negatief Laag Zelf perceptie Terugkeer-naar-werk selfefficacy Nieuwenhuijsen et al., 2013 Positief Hoog Negatieve herstelverwachting Cornelius et al., 2011 Negatief (hoge invloed op ontwikkeling van angststoornis) Hoog
Hoofdstuk 8. Het bepalen van arbeidsvermogen van mensen met een
angststoornis Er zijn twee reviews en vier kwantitatieve artikelen geïncludeerd die meetinstrumenten onderzochten op het gebied van arbeidsvermogen en arbeidsparticipatie. Hieronder worden eerst de bevindingen van de reviews beschreven en daarna volgt een samenvatting van de resultaten van de kwantitatieve studies presenteren. Voor wij ingaan op de bevindingen uit deze artikelen zal eerst een veelbesproken concept uitgelicht worden wat gelinkt is aan arbeidsparticipatie, namelijk het arbeidsvermogen. Het arbeidsvermogen wordt beschouwd als een zeer belangrijk onderwerp in relatie tot de arbeidsparticipatie werk van mensen met angststoornissen en is notoir lastig om vast te stellen voor bedrijfs- en verzekeringsartsen. Twee kwalitatieve artikelen geven een eerste inzicht in waar opgelet zou kunnen worden bij het beoordelen van arbeidsvermogen.
8.1 Arbeidsvermogen
Binnen dit onderzoek zijn er twee artikelen geïdentificeerd die arbeidsvermogen onderzoeken. In de eerste studie is het concept ‘arbeidsvermogen’ fenomenologisch onderzocht door de ervaringen van patiënten die te maken hebben gehad met angststoornissen en/of depressie te inventariseren (Bertilsson, et al. 2013). Alle deelnemers (n=17, vier focusgroepen) hadden een reguliere baan en hadden de klinische symptomen en/of de diagnose van depressie en/of angststoornis. De gevonden resultaten suggereren dat het arbeidsvermogen verdeeld kan worden in negen componenten die gerelateerd zijn aan de taak, de tijd, de context en de sociale interacties van het werk. Verschillende deelnemers omschrijven het verlies van (een deel van) hun arbeidsvermogen als het verliezen van de vertrouwdheid met het normale werk en het aanmeten van een ‘façade’ op slechte dagen. Ook noemen deelnemers het wegvallen van het gevoel van “bijtanken” dat je normaal krijgt doordat werk energie geeft. Mensen verminderen hun sociale activiteiten om voldoende energie over te houden waardoor de werk-vrije tijd verhouding uit balans raakt. De afgenomen capaciteit werd benoemd als onzichtbaar (niet te begrijpen en/of niet te observeren door anderen), en deze onzichtbaarheid werd beschouwd als een probleem. De conclusie van dit artikel was dat meer onderzoek gedaan zou moeten worden naar de exacte symptomen en de effecten van een vermindering in de arbeidsvermogen als er sprake is van angst of depressie. De benoemde prioriteiten omvatten de identificatie van werkzaamheden die bijdragen aan het “bijtanken” op de werkplek, wat kan helpen in het rehabilitatieproces. In het tweede artikel wordt onderzoek beschreven naar de afname van arbeidsvermogen, waarbij de percepties en inzichten van de gezondheidsprofessionals werden geëvalueerd (Bertilsson, et al. 2015). De studie betrof een inductieve analyse van vier focusgroepen, gehouden met 21 professionals (psychiatrie, arbodienst en primaire gezondheidszorg). De participanten hebben vier categorieën benoemd:
- Verminderde en veranderde arbeidsvermogen (over het algemeen werd het arbeidsvermogen
ervaren als verminderd)
a. Ervaren van een verandering van een bekende werkprestatie naar een onbekende
werkprestatie. Patiënten vertrouwen hun eigen prestaties niet meer; prestaties worden beïnvloed door meer gevoelige percepties, en worden door professionals beschreven als het dragen van een zwarte bril. Waardering van collega’s werd genoemd als een ondersteunende factor voor de patiënten.
b. Moeite met het beheren van de tijdsdruk
c. Moeite met de omgang met dagelijkste werktaken – moeite met het beginnen aan een taak, moeite met het volhouden van een lange term planning, voornamelijk moeite met situaties waarbij verscheidene taken uitgevoerd moeten worden. Patiënten concentreren zich te veel waardoor ze snel moe worden. Patiënten lijken druk te zijn met zichzelf (bijvoorbeeld met negatieve gedachten) waardoor ze moeite hebben met het concentreren naar buiten toe.
d. Verminderde capaciteit om met emoties om te gaan – moeite met het hebben van geduld,
woede, kwetsende dingen zeggen, en mensen afwijzen.
- Een ervaring waarbij “de show door moet gaan”. Deze patiënten hebben moeite met het laten gaan
van hun werk en zij hebben geprobeerd hun arbeidsvermogen te behouden tot het bittere einde. Zij proberen de façade te behouden tot het laatste moment, waardoor managers en collega’s een verminderd arbeidsvermogen kunnen waarnemen. Daarnaast hebben deze patiënten ook angst voor onthulling van hun ziekte.
- Het afbrokkelende leven buiten het werk – de patiënten praten in het begin niet over hun werk. Zij
geven alle aandacht aan het werk en herkennen langzamerhand de eerste symptomen in de context van het dagelijkse leven in huis. Deze patiënten hebben moeite met dagelijkse klussen. Alhoewel het niet is gerelateerd aan het arbeidsvermogen, heeft het een effect op het leven. Officieel gezien valt het buiten het arbeidsvermogen, maar het is een eerste indicatie. De patiënten proberen hun werkcapaciteit waar te borgen.
- Moeite met het voldoen aan de verwachtingen van de werkplek – de patiënten kunnen weliswaar
goede arbeidsvermogens hebben om de taken uit te voeren, maar de werkomgeving stelt ook andere eisen. Een voorbeeld hiervan is het deelnemen aan de koffiepauzes en de gesprekken. Er is sprake van een onvermogen om hieraan mee te doen, wat kan leiden tot stigma en misverstanden onder de collega’s. Daarnaast is het opgevallen dat het arbeidsvermogen wordt verminderd door angstaanvallen. Een ander punt dat werd genoemd is dat het arbeidsvermogen niet als een geïsoleerd concept gezien kan worden, maar dat het moet worden bekeken in relatie tot het dagelijkse functioneren. De auteurs concluderen dat herkenning en meer inzicht van het arbeidsvermogen zal helpen met de promotie van fitness-om-te-werken gesprekken en rehabilitatie van patiënten met angststoornissen. Reflectie op de resultaten vanuit de praktijk BOX 5: Arbeidsvermogen Tijdens de interviews werd het probleem van definities van werkcapaciteit en arbeidsvermogen ook genoemd. Deelnemers benadrukken dat het voor het rehabilitatieproces belangrijk is om een goede inschatting te maken van de belastbaarheid van patiënten. “…wat het activiteitenniveau is, is een belangrijke vraag, waar kunnen wij dat zien…”. Bedrijfsartsen vinden het moeilijk om een duidelijk beeld te scheppen van die capaciteiten en hebben momenteel geen praktijkgerichte instrumenten en/of richtlijnen om dat te doen. Participanten geven aan dat in de praktijk vaak een inschatting wordt gemaakt aan de hand van wat de patiënt op dat moment zelf aangeeft te kunnen aan activiteiten, bijvoorbeeld door te vragen naar activiteiten in de privéomgeving of een algemene dagindeling te schetsen. “Ik probeer en vraag mensen wat ze al wel doen en waar ze tegen op zien. Hoe groot is hun actieradius in de privé omgeving, durven ze in hun eentje naar de AH of een andere supermarket?” Er wordt een behoefte uitgesproken aan meer objectieve methoden om het arbeidsvermogen vast te stellen. “Ik heb behoefte aan een betere kwantificatie. Wat ik nu doe is dat je het kwalitatief doet. Maar binnen angststoornissen heb je mensen die een beetje angstig zijn en mensen die heel angstig zijn. Als je iets zou hebben om daar beter onderscheid te maken zou dat heel goed helpen.” Een van de participanten schetst hoe misvattingen kunnen ontstaan door het gebrek aan eenduidige instrumenten om de belastbaarheid in te schatten: “Ik heb één keer meegemaakt dat er werd gevraagd: “Doet u zelf het huishouden?” “Ik doe licht huishoudelijk werk.” “Als u licht huishoudelijk werk kunt doen, kunt u vier uur per dag werken.” Maar hoe deed ze dat? Ze deed tien minuten even iets. Toen ging ze een uur liggen.”
8.2 Instrumenten voor het meten van functioneren
Reviews Twee reviews presenteren prognostische en/of screeningsinstrumenten voor het opsporen van het risico op aandoeningen (Abma, van der Klink, Terwee, Amick Iii, & Bültmann, 2012, Nieuwenhuijsen, Franche, & Van Dijk, 2010). Abma et al. (2012) evalueren vijf instrumenten voor het zelf gerapporteerd meten van gezondheidsgerelateerd functioneren op werk voor mensen met psychosociale stoornissen. Deze review laat zien dat er weinig bewijs is voor de metingskwaliteit van deze instrumenten6. De conclusie van deze review is dat het niet raadzaam is om de vijf instrumenten in de praktijk te gebruiken wegens de slechte kwaliteit. Een andere review, die twee aparte literatuuronderzoeken combineert, is gericht op de beoordeling van het functioneren op werk en de beperkingen voor mensen met veel voorkomende psychische aandoeningen(incl. angst) (Nieuwenhuijsen et al., 2010). De conclusie van deze review is dat er instrumenten zijn voor het meten van productiviteit en werkbeperkingen met acceptabele psychometrische eigenschappen, maar dat deze niet gevalideerd zijn voor werknemers met algemene psychische stoornissen. Volgens Nieuwenhuijsen et al. (2010) zijn nieuwe instrumenten nodig die het functioneren van de werknemer op het werk meten en daarin de kwaliteit van de werkresultaten en de inzet die nodig is om productief te blijven meenemen. Reflectie op de resultaten vanuit de praktijk BOX 8. Diagnostische/prognostische meetinstrumenten Tijdens het kwalitatieve deel van het onderzoek zijn mogelijke screeningen en prognostische tools veel besproken. In de interviews komt naar voren dat op dit moment anamnese en de 4DKL de meest gebruikte instrumenten zijn voor het stellen van een diagnose. “De meeste mensen weten het zelf wel. En anders moet je goed een anamnese doen of je moet 4DKL lijsten gebruiken. Dat is een screeningsinstrument die goed werkt voor de huisarts en voor ons ook.” “Als je een goede anamnese afneemt, heb je wel vaak snel de diagnose.” Echter, sommige deelnemers plaatsen kanttekeningen bij het gebruik van de 4DKL en anamnese en er wordt een behoefte uitgesproken naar meer objectieve instrumenten. Zo wordt er bijvoorbeeld door een aantal participanten gezegd dat een anamnese te veel persoonsafhankelijk en subjectief is. “Maar dat is dus erg afhankelijk van je eigen ..., hoe jij in elkaar steekt, want jij bent het instrument om in gesprek te gaan met iemand.” De participanten beschrijven dat het moeilijk kan zijn om een goede diagnose te stellen door middel van een anamnese, zeker wanneer patiënten niet waarheidsgetrouw zijn. “Dan hangt het dus erg af van of je, hoe jouw ervaring is of je goed kan kijken, of je goed kunt doorprikken, of je kunt doorvragen. Of die persoon heel goed toneel kan spelen, of dat hij zichzelf beter voordoet dan hij is. Ja, dat hangt er erg vanaf.” Over de 4DKL zijn de participanten over het algemeen positief, maar een aantal deelnemers geeft aan dat het te weinig onderscheidend is. Het wordt beschreven als richtinggevend, maar niet als een doorslaggevend instrument. Een bedrijfsarts legt uit dat patiënten vaak hoog scoren op alle vier dimensies, waardoor de diagnose en prognose onduidelijk blijven tot verder uitsluitsel: “Met de 4DKL kan je wel de richting bepalen. Dat geeft een onderscheiding op distress, depressie, angststoornissen en sommatie. Maar het nadeel is dat je vaak hoog scoort op alles en dat filtert pas later uit.” 6 The Endicott Work Productivity Scale (EWPS), (ii) the Work Limitations Questionnaire (WLQ), (iii) the Stanford Presenteeism Scale (SPS), (iv) the Work Performance Scale of the Functional Status Questionnaire (WPS), and (v) the Lam Employment Absence and Productivity Scale (LEAPS) Kwantitatieve artikelen In de geïncludeerde kwantitatieve artikelen zijn geen instrumenten onderzocht die het arbeidsvermogen van mensen met angstklachten of een angststoornis beoordelen. Wel worden er verscheidene diagnostische en prognostische instrumenten beschreven die wellicht behulpzaam kunnen zijn in de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskundige praktijk. Enkele voorbeelden hiervan zijn: Distress Screener (Braam et al., 2009), 4DSQ (Langerak et al., 2012), SQ-48 (Carlier et al., 2012), Work Limitations Questionnaire (WLQ), Work Productivity and Activity Impairment Questionnaire (WPAI), Endicott Work Productivity Scare (EWPS), en Functional Status Questionnaire Work Performance Scale (WPS) (Erickson et al., 2009).
a. Distress Screener. Een Nederlandse studie waarin 171 zieke werknemers (24.65% vrouw) waren
geïncludeerd, heeft de “Distress Screener” tool gevalideerd voor gebruik binnen de context van arbeidsgezondheid (Braam et al., 2009). Deze tool bestaat uit drie items die verkregen zijn uit de subschalen van de vierdimensionale symptoomvragenlijst (4DSQ): “Had u de afgelopen week last van piekeren”, “Had u de afgelopen week last van lusteloosheid?”, en “Voelde u zich de afgelopen week gespannen?”. Uit de resultaten van dit onderzoek bleek dat de “Distress Screener” een valide instrument is om gebruikt te worden door bedrijfsartsen tijdens consultatie als snelle scan methode voor beginnende signalen. Deze tool was alleen nuttig voor het identificeren van distress onder werknemers die met ziekteverzuim waren.
b. 4DSQ (ook bekend als 4DKL). In een andere Nederlandse studie is het potentiële gebruik van de 4DSQ
tool onderzocht voor het identificeren van depressie of angststoornissen binnen de setting van de verzekeringsgeneeskunde (Langerak et al., 2012). De 4DSQ is een vragenlijst die bestaat uit 50 items verdeeld over vier schalen: de distressschaal kent 16 items (bereik 0-32), de depressieschaal heeft 6 items (bereik 0-12), de angstschaal 12 items (bereik 0-24) en de somatisatieschaal 16 items (bereik 0- 32). De referentieperiode is “de afgelopen week”. De antwoordschaal bestaat uit vijf categorieën: “nee” (0), “soms” (1), “regelmatig” (2), “vaak” (3), “heel vaak of constant” (4). Deze tool werd getest onder 230 individuen die een arbeidsongeschiktheidsuitkering hadden aangevraagd voor hun mentale gezondheidsproblemen (67.5% vrouw). Het meetinstrument was intern consistent, had acceptabele tot goede diagnostische waarden voor de 4DSQ schalen en had goede diagnostische accuraatheid in het herkennen van depressie en angststoornissen. Echter, de 4DSQ blijkt beperkt geschikt als screeningsmethode voor depressie en angststoornissen in een populatie van mensen met erkend geestelijke gezondheidsproblemen in de verzekeringsgeneeskundige praktijk, omdat er sprake is van een hoge prevalentie van mentale gezondheidsproblemen. c. De 48-item Symptom Questionnaire (SQ-48) is ontwikkeld om psychologische distress te identificeren en meet vitaliteit en arbeidsfunctioneren. Het instrument is gevalideerd in een studie met 242 patiënten van een psychiatrische polikliniek (61.2% vrouw) en een controlegroep van 516 mensen (67.2% vrouw) (Carlier et al., 2012). De SQ-48 heeft negen sub-schalen. Vier sub-schalen omvatten aspecten van psychopathologie: Depressie, Angststoornissen, Somatisatie en Agorafobie. Daarnaast zijn vijf sub-schalen geconstrueerd om specifieke aspecten van gedrag en/of functioneren te evalueren: Agressie, Cognitieve problemen, Sociale fobieën, Werk, en Vitaliteit/Optimisme. Elke item is beoordeeld door de respondenten met behulp van een Likert-schaal met 5 punten (0: ‘Nooit’, 1: ‘Zelden’, 2: ‘Soms’, 3: ‘Vaak’, 4: ‘Zeer vaak’). Dit instrument heeft een goede interne consistentie: de Conbach’s alfa coëfficiënt varieerde van 0,78 tot 0,98 in de verschillende SQ-48 sub-schalen: 0,97 (Totaal); 0,93 (Gemoedstoestand); 0,92 (Angst); 0,89 (Somatisatie); 0,89 (Cognitief functioneren) 0,91 (Sociale fobieën); 0,84 (Agrofobie); 0,90 (Vitaliteit); 0,78 (Werk). De resultaten hadden ook een goede convergerende en divergerende validiteit. De tool wordt aanbevolen als screeningsmethode voor de algemene bevolking.
d. De laatste studie vergeleek vier bestaande gevalideerde hulpmiddelen om werkproductiviteit te
evalueren in de VS onder 81 patiënten van een angstkliniek (61.2% vrouw). De meetinstrumenten waren: Work Limitation Questionnaire (WLQ), Work Productivity and Activity Impairment Questionnaire (WPAI), Endicott Work Productivity Scale (EWPS), en Functional Status Questionnaire Work Performance Scale (WPS) (Erickson et al., 2009). De patiënten die meer angst hadden, vertoonden een verlaagde arbeidsprestatie bij alle meetinstrumenten. Promotie was verminderd voor de matige/ernstige groep. De verscheidene groepen angststoornissen waren niet verschillend qua het type werk, de tijd op het werk, tevredenheid over het werk, of de arbeidskeuze. De multi-item prestatieschalen (WLQ en WPAI) demonstreerden een hogere validiteit en interne consistentie. De WLQ en de WPAI detecteerden veranderingen na symptoom verbetering.
Samenvatting van resultaten
Er zijn binnen dit onderzoek geen meetinstrumenten gevonden voor de prognose van arbeidsfunctioneren voor werknemers met angstklachten noch voor het beoordelen van arbeidsvermogen van mensen met angstklachten- of stoornissen. Een aantal meetinstrumenten zijn onderzocht op hun betrouwbaarheid om distress en angststoornissen te detecteren onder de werkende populatie. Deze meetinstrumenten hebben een goede betrouwbaarheid en validiteit.
Hoofdstuk 9. Wat wordt er gedaan om de arbeidsparticipatie van
angststoornispatiënten te bevorderen en wat is de effectiviteit hiervan? In dit hoofdstuk worden twee thema’s besproken: 1) wat er bekend is over de bevorderende en belemmerende factoren voor terugkeer naar werk en arbeidsparticipatie en 2) welke interventies en programma’s er bestaan om arbeidsparticipatie van mensen met een angststoornis te verhogen en wat de effectiviteit daarvan is.
9.1. Bevorderende en belemmerende factoren voor terugkeer naar werk
Terugkeer naar werk staat bekend als de gewenste uitkomst van een succesvolle behandeling en interventie tegen beroepsmatige arbeidsklachten. Er is één artikel geïdentificeerd die de componenten van succesvolle terugkeer naar werk heeft onderzocht. Het onderzoek van Hees et al (2012) onderzocht de definitie en eigenschappen van een succesvolle terugkeer naar werk na ziekteverzuim ten gevolge van mentale stoornissen, zoals de belangrijke belanghebbenden dit zagen (Hees, Nieuwenhuijsen et al. 2012). Hierbij ging het om twee fasen. Tijdens de eerste fase werden belangrijke criteria en clusters voor succesvolle terugkeer naar werk geïdentificeerd. Dit werd gedaan door focusgroepen en interviews samen te voegen. Het onderzoek had een geschikt aantal deelnemers waaronder werknemers, leidinggevenden, bedrijfsartsen en onderzoekers. Drie aparte focusgroepen (van 95-120 minuten) werden georganiseerd met werknemers (n=11), bedrijfsartsen (n=9), en arbeidsongeschiktheid onderzoekers (n=7). 30 telefonische interviews zijn gehouden (duur 14-35 minuten) met leidinggevenden (n=20), werknemers (n=5), en bedrijfsartsen (n=5). Na de analyse kwamen 11 belangrijke clusters naar voren die als criteria functioneerde voor een succesvolle terugkeer naar werk. (1) ‘aantal uur gewerkt’, (2) ‘werkdruk’, (3) ‘functie’, (4) ‘inkomen’, (5) ‘duurzaamheid’, (6) ‘mentaal functioneren’, (7) ‘functioneren op werk’, (8) ‘relatie met supervisor’, (9) ‘relatie met collega’s’, (10) ‘tevredenheid over werk’, (11) ‘werk-thuis balans’. Tijdens de tweede fase van deze studie werd een online vragenlijst gebruikt om te onderzoeken welke van deze clusters als meest belangrijk werd beschouwd door de belanghebbenden. De vragenlijst werd ingevuld door 74 bedrijfsartsen, 51 leidinggevenden en 53 werknemers. Er werden kleine verschillen gevonden in de percepties tussen de verschillende groepen. Over het algemeen waren alle stakeholders het eens dat duurzaamheid, functioneren op werk, werk-thuis balans, mentaal functioneren en tevredenheid over werk de meest belangrijke aspecten waren voor een succesvolle terugkeer naar werk interventie. Maar voor werknemers waren tevredenheid over werk en mentaal functioneren de meest belangrijke, terwijl de supervisors duurzaamheid en functioneren op werk het belangrijkste vonden. Voor bedrijfsartsen was duurzaamheid verreweg het meest belangrijke criterium (73%). Er wordt veel aandacht gegeven aan de waargenomen bevorderende en belemmerende factoren voor een succesvolle terugkeer naar werk. Er zijn 5 artikelen geïncludeerd die deze factoren onderzochten. Eén van de studies onderzocht de ervaringen van vrouwen met betrekking tot ziekteverzuim en de terugkeer naar werk (Nielsen, Rugulies et al. 2013). In deze studie zijn verscheidene psychische gezondheidsstoornissen onderzocht zonder de specifieke ervaringen van vrouwen omtrent angststoornissen en werk mee te nemen. De ‘grounded theory’ methode werd toegepast om 16 interviews te analyseren van vrouwen met mentale gezondheidsklachten. Een van de meest opvallende bevindingen was de perceptie van collega’s omtrent de terugkeer naar het werk. De vrouwen dachten dat hun collega’s en leidinggevenden het principe van terugkeer naar werk zagen als de “terugkeer naar het normale dagelijks leven”. Ondanks het potentiële helende effect, vormde terugkeer naar werk een dilemma omdat de vrouwen bang waren voor terugval, met name wanneer zij dachten dat de omstandigheden voor terugkeer naar werk nadelig zouden zijn voor hun gezondheid. Ondanks dat ziekteverzuim een negatieve invloed had op het zelfvertrouwen, leidde terugkeer naar werk niet automatisch tot een verbeterd zelfbeeld of zelfvertrouwen. Dit onderzoek concludeerde dat de belangrijkste ervaring van werknemers niet het proces was van terugkeer naar werk, maar eerder een proces van het helen van het kwetsbare zelfbeeld (door de aandacht te verplaatsen van symptomen naar andere belangrijke levensdoelen en het behouden van of reconstrueren van een positief zelfbeeld). Cowls en Galloway (2009) hebben onderzocht hoe traumatische ervaringen uit het verleden invloed hebben op carrièrekeuzes en het gedrag op de werkplek, en hoe, met deze informatie, bedrijfsartsen een verandering kunnen faciliteren voor een succesvolle terugkeer naar werk (Cowls en Galloway, 2009). Hiervoor hebben ze 25 semigestructureerde interviews gehouden met mensen met angststoornissen, PTST of depressieve klachten. Over het algemeen werd door de participanten ongezonde ervaringen uit het verleden opnieuw uitgevoerd op het werk zoals het richten op de behoeften van anderen, zoeken naar acceptatie en vermijden. Verandering was bereikt door het inzetten van coping strategieën en het samenwerken met ergotherapeuten voor de planning van terugkeer naar werk. Een ander onderzoek keek naar de percepties van supervisors die betrokken waren bij het management van arbeidsongeschiktheid omtrent factoren die de terugkeer naar werk van werknemers met veel voorkomende mentale stoornissen positief of negatief beïnvloeden (Lemieux, Durand et al. 2011). Een content-analyse van 11 semigestructureerde interviews met werkgevers en leidinggevenden werd uitgevoerd. Uit dit onderzoek kwamen drie factorgroepen naar voren die een negatieve of positieve invloed hadden op de terugkeer naar het werk na ziekteverzuim ten gevolge van een mentale stoornis: werker-gerelateerde factoren (sociale isolement, aanwezigheid van andere stressoren), werkcontext factoren (atmosfeer op het werk, aanwezigheid van stigma) en factoren gerelateerd aan het terugkeer naar werk (betrokkenheid van de leidinggevende, attitude van de leidinggevende). Daarnaast stonden de geïnterviewde supervisors open voor het zoeken naar manieren om terugkeer naar werk te faciliteren van deze werknemers, maar vonden dat de gebruikte interventies rekening moesten houden met hun perspectief en de beperkingen waarmee zij te maken hebben. Noordijk et al. (2011) hebben de barrières voor een volledig terugkeer naar werk, oplossingen, communicatie met het werkomgeving en het doel van een volledig terugkeer naar werk omschreven zoals deze werd gezien door de werknemers. Voor dit onderzoek zijn 15 semigestructureerde interviews gehouden met mensen die langer dan 3 maanden met ziekteverzuim waren ten gevolge van stress-gerelateerde angststoornissen of depressie (10 vrouwen). Twee barrières zijn afgeleid uit de interviews:
- Barrières gerelateerd aan problemen met het waarborgen van de grenzen van hun eigen capaciteit
Moeite met eigen grenzen vaststellen (gedrag), de grenzen van hun eigen capaciteit herkennen (cognitie) en angstontwijkend gedrag (emotie en gedrag).
- Barrières gerelateerd aan de vermindering van werkcapaciteit ten gevolge van symptomen
Daarnaast zijn twee clusters potentiële oplossingen gevonden:
- Minder gespannen zijn (inclusief structurele aanpassingen zoals meer mankracht, verminderde
reisafstand, het leren van een nieuwe manier van denken omtrent veeleisende situaties, leren om meer open te zijn, nieuwe manier van omgaan met emoties en ontspanning.
- Behandelen van mentale en lichamelijke symptomen
Een algemene bevinding is dat alle werknemers last hebben van een barrière voor een volledige terugkeer naar werk; de meeste werknemers in staat zijn om oplossingen te bedenken; alle werknemers een volledige terugkeer naar werk willen; en na verloop van tijd alle werknemers voldoende begrip en sociale ondersteuning van hun leidinggevende en beroepsbeoefenaar uit de gezondheidssector kregen. Geen van de werknemers zijn bereid om de oplossingen op de werkplek te implementeren of te benutten, met uitzondering van de structurele veranderingen omtrent de verrichtte werkzaamheden. De auteurs van het artikel noemen dit “intentie-gedrag kloof” en vinden het belangrijk dat meer onderzoek wordt gedaan om deze kloof te overbruggen. Martin et al. (2013) evalueren de belemmerende en beschermende factoren voor de implementatie van een gecoördineerde en afgestemde interventie voor terugkeer naar werk voor mensen met een geestelijk gezondheidsprobleem. Deze interventie is in drie verschillende gemeenten van Denemarken geïmplementeerd. Hierbij gebruikten zij verscheidene bronnen van informatie, namelijk: individuele en groepsinterviews, observaties, nationale registers, en documenten die tijdens de interventie zijn gebruikt. Er waren aanzienlijke verschillen tussen de gemeentes wat betreft de setting en implementatie. De barrières omvatten: onvoldoende vaardigheden om mentale gezondheidsproblemen te beoordelen volgens de inclusiecriteria, verschillende interpretaties vanuit belanghebbenden omtrent de wetgeving inzake het ziekteverzuim, variërende alternatieven voor revalidatie, en onvoldoende steun voor de interventie vanuit het management. Motivatie en beschikbaarheid van middelen om meningsverschillen op te lossen met behulp van uitgebreide communicatie werden als belangrijke facilitators gezien. Uit deze studie is gebleken dat het belangrijk is om verschillende belanghebbenden vroeg in het proces te betrekken voor de interventie voor terugkeer naar werk. Hiermee kunnen de uitkomsten van de implementatie verbeterd worden. Het doel van het onderzoek van Reavley et al. (2012) was het formuleren van richtlijnen om organisaties te ondersteunen door terugkeer naar werk te faciliteren bij werknemers met angststoornissen, depressie of andere gerelateerde aandoeningen. Deze richtlijnen zijn ontwikkeld met behulp van de DELPHIconsultatiemethode. Drie groepen Australische experts (66 zorgprofessionals, 30 werkgevers en 80 consumenten) zijn gerekruteerd. Zij hebben onafhankelijk van elkaar items in drie verschillende rondes beoordeeld waarbij de belangrijke overeenstemmingen van deze beoordeling in de richtlijnen zijn verwerkt.
Samenvatting van resultaten
Eén van de artikelen onderzocht de perspectieven van belangrijke betrokkenen bij het proces van het terugkeren naar het werk, waarbij werd gekeken naar de definitie van succesvolle terugkeer naar het werk nadat er sprake was van arbeidsverzuim ten gevolgde van veel voorkomende mentale aandoeningen (Hees et al. 2012). Enkele artikelen onderzochten mogelijke barrières en mogelijke ondersteunende factoren om een succesvolle terugkeer naar werk te krijgen (Cowls en Galloway, 2009; Lemiieux et al. 2011; Noordik et al. 2011; Martin et al., 2015). Een grote DELPHI-studie uit Australië heeft een poging gedaan om bewijs voor “best practices” te genereren, met betrekking tot het faciliteren van terugkeer naar werk bij mensen met veel voorkomende mentale gezondheidsproblemen (Reavly et al., 2012).
9.2. Programma’s en interventies
Er zijn 22 kwantitatieve artikelen, 9 reviews en 2 kwalitatieve artikelen geïncludeerd waarin interventies werden beschreven die als doel hadden de werkgerelateerde uitkomsten te verbeteren van mensen met psychische aandoeningen, waaronder angst. In 11 artikelen zijn interventies specifiek gericht op angststoornissen gevonden. Drie studies onderzochten online interventies, de rest van de interventies werd face-to-face aangeboden. De participanten varieerden van politieagenten tot gezondheidsprofessionals tot productiemedewerkers van grote bedrijven. Daarnaast werd op verscheidene manieren onderzocht wat de effectiviteit was van de interventies, bijvoorbeeld op het verminderen van symptomen die zich voordoen ten gevolge van mentale gezondheidsproblemen met behulp van gestandaardiseerde vragenlijsten.
9.2.1. Online interventies
Billings et al. (2008) evalueerden een programma dat gezondheid stimuleert op het werk door gebruik te maken van een website. Dit programma is ontworpen om stress te reduceren en om te voorkomen dat werknemers depressief worden, angststoornissen krijgen of verslaafd raken. Hierbij hebben zij 309 participanten geïncludeerd in hun studie. Dit online programma heeft een verminderde hoeveelheid stress tot gevolg en heeft gezorgd voor meer kennis omtrent depressie en angststoornissen bij de deelnemers. Mede door dit programma zijn de attitudes ten aanzien van behandeling in positieve zin veranderd (F=4.42, P < 0.05) en zijn de werknemers op een gezondere manier omgegaan met het consumeren van alcohol (F=7.57, P < 0.01). Er was een significante vermindering van stress (F= 5.23, P < 0.05). Daarnaast hebben Douglas et al. (2008) geobserveerd dat stigmatisatie van gedragsproblemen wordt geadresseerd door dit programma. De studie van Bolier et al. (2014) heeft de effectiviteit van een module, genaamd “workers’ health surveillance” (WHS), onderzocht. Deze module maakt screening, feedback en online interventies mogelijk die positieve mentale gezondheid en mentale problemen als doel heeft. WHS wordt als strategie toegepast op het werk waarbij preventieve acties worden geïmplementeerd door middel van het vaststellen en behandelen van gezondheidsproblemen. De verpleegkundigen (N= 366) die hieraan hebben meegedaan, werden opgedeeld in een online en een referentiegroep. Er was een significante verbetering in psychische gezondheid bij de werknemers die in de interventiegroep zaten (F= 3.46, P= 0.03). Reflectie op de resultaten vanuit de praktijk BOX 9. Programma’s en interventies Deelnemers in de focus groep waren over het algemeen geïnteresseerd in de mogelijkheden voor online interventies, maar zagen ook belangrijke aandachtspunten. Volgens de deelnemers kan het zo zijn dat niet elke patiënt een positieve houding heeft ten opzichte van een online interventie, omdat men vaak de voorkeur geeft aan direct contact. Participanten onderschrijven het belang van lichte begeleiding bij internetbehandelingen om betere resultaten te verkrijgen. Uit de discussie komt naar voren dat online interventies interessant zijn als eerste behandeloptie, bijvoorbeeld wanneer de mogelijkheden tot psychotherapie beperkt zijn. “Een online interventie zou mogelijk een tussenstap kunnen zijn wanneer de wachtlijsten lang zijn”. Exposure therapie werd vaak genoemd tijdens de interviews en focusgroepen als de meest populaire behandeling voor angst. Door ons zoekstrategie gericht op werkgerelateerde uitkomsten, hebben wij geen studies geïdentificeerd die exposure therapie onderzocht hebben. In de focus groep wordt aangegeven dat exposure therapie nu vaak wordt voorgeschreven, maar er ruimte is voor verbetering in de toepassing. “Exposure therapie is heel belangrijk en wordt vaak niet goed gedaan. Zoals het is beschreven in de richtlijnen heb ik het nog nooit in een werkelijk verhaal terug gehoord van een klant.” In de interviews benadrukken de deelnemers dat exposure therapie om maatwerk vraagt. “Mensen moeten een beetje in de discomfort zone komen maar niet in de paniekzone. Het probleem bij angst is dat deze twee heel dicht bij elkaar liggen.” Een van de deelnemers beschrijft dat angststoornissen vaak te maken hebben met een ontregelde functie van de amygdala en dat er op dit gebied nog veel mogelijkheden zijn voor het ontwikkelen van interventies. “Er zouden behandelmethoden moeten zijn om daarop in te grijpen. Naar mijn idee zijn we daar nog onvoldoende in geslaagd. Nou dit is een soort behandeling die naar mijn idee heel belovend is.” Een terugkerend thema in de interviews is het belang van het aanpassen van de werkomgeving aan de patiënt om de terugkeer naar werk te bevorderen. Uit de interviews blijkt echter ook dat aanpassingen van de werkomgeving nog weinig geïmplementeerd worden. “Aanpassing van de werkomgeving vormt vaak een uitdaging. Met name praktische problemen”. Participanten geven aan dat werkaanpassingen vrijwel uitsluitend plaatsvinden bij grote bedrijven. Zo is er bij grote bedrijven vaker de mogelijkheid om werknemers op een andere manier in te zetten, waardoor zij betrokken kunnen blijven op het werk zonder overbelasting en/of terugval te riskeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een functie met een lagere cognitieve belasting of met een aangepast rooster. “Dan ga je kijken of je iemand bijvoorbeeld wat meer administratief taken ehm in de backoffice kan geven, of meer afgeschermd van collega’s en zeker van klanten als dat bijvoorbeeld een probleem is.” Uit de ervaringen van de participanten blijkt verder dat bij kleine of middelgrote ondernemingen (MKB) er doorgaans te weinig capaciteit of bereidheid is om dergelijke aanpassingen in te zetten Ook Volker et al. (2015) hebben bekeken of een online interventieprogramma effectief was met betrekking tot terugkeer naar werk voor patiënten met mentale problemen. Het programma heet “E-health module embedded in Collaborative Occupational health care” (ECO) en om de effectiviteit ervan te meten is gekozen voor een RTC. In totaal hebben 220 werknemers hieraan deelgenomen, waarvan 131 op willekeurige wijze werd geplaatst in de interventiegroep en 89 in de controlegroep. Er was sprake van een significant verschil tussen de twee groepen in de duur tot eerste keer terug-naar-werk, met 77 dagen voor de controlegroep en 50 dagen voor de interventiegroep (HR=1.390, p=0.03). De onderzoekers hebben geen significant effect gevonden voor de tijd die nodig was om volledige terugkeer naar werk te behalen. Wat zij wel hebben geobserveerd is dat na 9 maanden meer participanten van de interventiegroep in remissie waren ten opzichte van de controlegroep (OR= 2.228, p=0.02). Tabel 7 Beschrijving van studies van online interventies Studie Interventie Angst specifie k? Werk omge ving? Preventie/ behandeling Steek Proef omvang Doelgro ep Effect op werk (+/- Effect op angst (+/0/- ) Sterkt e van bewijs Billings et al. (2008) Website programma tegen stress, depressie en angst Ja, maar niet alleen Ja Preventie 309 werkne mer nvt + Hoog Bolier et al. (2014) Workers’ health surveillance: screening, feedback en online interventies Nee Ja Preventie 366 werkne mer + 0, maar positie f effect op algem ene geeste lijke gezon dheid Hoog Volker et al. (2015) E-health module ingebed in gezamenlijke arbeidsgezondheidszorg Nee Ja Behandeling 220 werkne mer + + Hoog
9.2.2. Preventieve interventies
Reviews: Twee reviews onderzochten preventieve interventies. Joyce et al., 2016 onderzochten de effectiviteit van verschillende preventieve interventies. Hierin is matig bewijs gevonden voor de effectiviteit van primaire interventies (gericht op zelfcontrole van de werknemer en de bevordering van lichaamsbeweging). Het bewijs voor tertiaire preventie interventies, gericht op werk, zoals exposure therapie, CGT en probleemgericht terugkeer-naar-werk, is het sterkst (Joyce et al., 2016). Deze review, zoals de meeste reviews geanalyseerd binnen deze studie, is niet alleen angst-gericht, maar de auteurs laten zien dat de resultaten van de review gebruikt kunnen worden voor depressie en angst. Een tweede review heeft specifiek gekeken naar preventieve interventies gericht op de werkomgeving (Corbière, Shen, Rouleau, & Dewa, 2009). De review laat zien dat het gebruik van vaardighedentraining als onderdeel van de interventie en de combinatie van interventies op verschillende niveaus (individu, groep, organisatie) tot de beste gezondheid en werkgerelateerde uitkomsten leidt. Kwantitatieve: Voor de beschrijving van de studies van Billings et al. (2008) en Boiler et al. (2014), zie online interventies hierboven. De studie van Nettestrøm, Friebel, en Ladegaard (2013) evalueert de effectiviteit van een multidisciplinair stressbehandelingsprogramma als interventie om de mate van stress, mogelijkheid tot werken en psychologische symptomen te reduceren (Netterstrøm, Friebel, & Ladegaard, 2013). Voor deze studie zijn 268 participanten geïncludeerd welke onderverdeeld waren in vier groepen, namelijk de interventie groep, een controlegroep die de gebruikelijke zorg kreeg, een groep die na 3 maanden op de wachtlijst de interventie hebben gekregen als behandeling en een groep die stressbehandeling kreeg, gebaseerd op groepsparticipatie. De uiteindelijke focus van dit onderzoek was de interventiegroep. In deze studie is naar voren gekomen dat de interventiegroep aanzienlijk meer deelnemers had die terugkeerde naar werk (67%) ten opzichte van de andere groepen (36% voor gebruikelijke zorg en 24% voor de wachtlijstgroep). De interventie en de gebruikelijke zorg waren niet-significant verschillend van elkaar. De grootte van het effect volgens Cohen’s α was 0.50 voor angststoornissen. Godard et al. (2006) hebben een interventie geëvalueerd die terugval op angststoornissen en depressie voorkomt, genaamd het APRAND-programma. De patiënten die voldeden aan de ICD-10 criteria voor angst- en depressieve stoornissen werden behandeld met de interventie om te kijken of er een verbetering is voor de patiënt. Hiervoor zijn 9.743 werknemers gescreend die aangemeld waren bij 21 medische centra voor behandeling. 13 centra werden gebruikt als controlegroep waarbij de interventie niet werd toegepast. Het is gebleken dat de interventie een positief effect had op de 6-weekse en 6-maandelijke HAD-scores, waarbij het gemiddelde voor relatieve individuele variatie -4.1% ten opzichte van +1.6% voor de controlegroep was (p<0.01) en -9.1% vs. -2.8% (p<0.05) na 6 maanden. Voor angststoornissen had de interventie een positief effect (57.7% absent vs. 47.5%). Tabel 8 Beschrijving van studies van preventieve interventies Studie Angst specifiek? Werk omgeving? Steekproef omvang Doelgroep Effect angst (+/-) Effect op terug aan werk Sterkte van bewijs Billings et al. (2008) Ja, maar niet alleen Ja 309 Werknemer + Nvt Hoog Bolier et al. (2014) Nee Ja 366 Werknemer + Nvt Hoog Corbière, Shen, Rouleau, & Dewa (2009) Ja Ja Review Werknemer + + Hoog Duijts, Kant, van den Brandt, & Swaen (2008) Nee Ja 151 Werknemer + Ntv Hoog Godard, Chevalier, Lecrubier, & Lahon (2006) Ja, samen met depressie Nee 9743 Werknemer + Nvt Redelijk Joyce et al. (2016) Ja, samen met depressie Ja Review Werknemer + + Hoog Netterstrøm et al. (2013) Nee Nee, maar inclusief werk 9743 Werknemer + + Hoog Om de effectiviteit te meten van een preventieve coaching interventie, hebben Duijts et al. (2008) in hun RCT 151 werknemers geïncludeerd die risico hadden om met ziekteverlof te gaan. In de interventiegroep zaten 76 deelnemers en in de controlegroep 75 (Duijts et al., 2008). Na 6 (t1) en 12 (t2) maanden werd een vragenlijst ingevuld door de deelnemers om gegevens over de afwezigheid door ziekte te verzamelen. Afwezigheid door ziekte was de primaire uitkomstmaat voor deze studie, de secundaire uitkomsten waren zelf-beoordeelde gezondheid, psychologische stress, angstige stemming, verwerkingsproces, psychologische werkeigenschappen, behoefte aan herstel, vermoeidheid en burn-out. Tijdens deze studie zijn geen verschillen gevonden tussen de interventiegroep en de controlegroep met betrekking tot zelf-gerapporteerde ziekteverzuim ten gevolge van psychosociale gezondheidsklachten. Tijdens de follow-up periodes (t1 en t2) had de interventiegroep beduidend minder dagen van afwezigheid vergeleken met de controlegroep. Voor t1 was dit gemiddeld 11.70 dagen afwezigheid binnen de interventiegroep en 13.13 dagen voor de controlegroep (p=0.012). Voor t2 was dit 3.86 dagen vs. 4.95 dagen afwezigheid door ziekte (p=0.0001). Bij de metingen voor afwezigheid door ziekte van baseline tot t2 ging het om gemiddeld 15.55 dagen voor de interventiegroep en 18.08 dagen voor de controlegroep (p<0.001). Dit was een significant verschil in vermindering van het aantal dagen dat werknemers afwezig waren van hun werk ten gevolge van psychosociale gezondheidsklachten. De werknemers die ingedeeld waren in de interventiegroep, rapporteerden statistisch significante en klinisch relevante verbetering in gezondheid, verminderde psychologische stress, minder vaak een burn-out, minder behoefte aan herstel en een verhoogde levensvoldoening. De conclusie is dat de coaching interventie een effect heeft op de duur van ziekteverzuim en op de algehele gezondheid van de werknemer.
9.2.3. Cognitieve gedragstherapie
Reviews: Vijf reviews evalueren Cognitieve Gedragstherapie (CGT) als behandelingsmethode voor angst (Joyce et al., 2016; Mackenzie, Harvey, Mewton, & Andrews, 2014; Naidu, Giblin, Burke, & Madan, 2016; Razzouk & Pinheiro, 2014). Alle vijf studies laten zien dat CGT een effectieve behandelmethode is voor mensen met een angststoornis. Twee van de reviews zijn specifiek gericht op CGT. Een van de studies, heeft het verschil onderzocht van zelf-gerapporteerde absenteïsme tussen twee groepen van werknemers: de eerste groep die een gewone CGT hebben gekregen en een groep die een internet-gebaseerde CGT hebben gekregen (Mackenzie et al., 2014). Er is geen verschil gevonden tussen deze groepen. De tweede review heeft gezocht naar de beste methode om CGT te geven. De auteurs concluderen dat alle methoden om CGT te geven effectief zijn, en dat internet-gebaseerde CGT (met een bepaalde input van de therapeut) niet minder effectief is dan een face-to-face behandeling (Naidu et al., 2016). Kwalitatieve: Jansson et al. (2014) beschrijven hoe individuen de interventies ervaren en wat de impact van deze interventies zijn op het werk en alledaagse activiteiten van deze individuen. Ervaringen met CGT en de Problem-based method bij veertien vrouwen en twee mannen zijn geëvalueerd. Eén overkoepelende thema is naar voren gekomen: “bereiken van een veilige omgeving of verder zoeken naar hulp”. De vier categorieën hierbij zijn: “van passief zijn naar eigen inzet voor het revalidatieproces”, “vast blijven zitten of durven veranderen”, “evolueren van routine naar meer bewustzijn”, en “passen in of niet passen in situaties op de werkplek”. De deelnemers hebben een blijvend positief effect op hun werk en dagelijkse activiteiten gerapporteerd voor beide therapieën. Reflecteren op gedrag en behalen van belemmerende strategieën zijn in beide interventies als nuttig ervaren, alhoewel er verschillende omschrijvingen zijn om de strategieën te verwerken. Uit deze studie blijkt dat het gebruik van interventies voor ontwikkelen van actieve coping strategieën beter is voor mensen met mentale gezondheidsproblemen ten opzichte van passieve behandelingen. Kwantitatieve: Blonk et al. (2006) hebben de effectiviteit gemeten van een cognitieve gedragstherapie (CGT) en een gecombineerde interventie met technieken gericht op de werkplek en op het individu onder 122 zelfstandige werkers die met ziekteverlof waren (Blonk, Brenninkmeijer, Lagerveld, & Houtman, 2006). De deelnemers werden beoordeeld vóór de interventie, 4 maanden en 10 maanden na de interventie. De uitkomst is gebaseerd op de duur van het ziekteverzuim en het terugkeren naar het werk en op de psychologische klachten. De gecombineerde interventie heeft significant voordelige effecten gehad op het volledig terugkeren naar werk, maar geen significant effect op gedeeltelijke terugkeer naar werk (χ2= 2.17, N.S voor deels terugkeren naar werk en χ2 = 9.64, p<0.01 voor volledig terugkeren naar werk). Een significant effect werd gevonden voor de afname van psychologische klachten over tijd (F(6,78) = 8.90, p<0.01). Desalniettemin was er geen sprake van een significant effect voor specifieke interventies voor de reductie van psychologische klachten, zoals depressie, angst en stress. Met andere woorden, ongeacht de interventie, was er sprake van een reductie in klachten bij de patiënten na een periode van 10 maanden. De conclusie kan getrokken worden dat een gecombineerde interventie gebaseerd op CGT een positief effect heeft op het terugkeren naar werk bij zelfstandigen. De studie van Lagerveld et al. (2012) had als doel om de effectiviteit te vergelijken van twee psychotherapieën op individueel niveau, namelijk behandeling zoals gebruikelijk (CGT) en CGT die zich richt op het werk (W-CGT), waarbij werkgerelateerde aspecten zijn geïntegreerd in de behandeling (Lagerveld, Blonk, Brenninkmeijer, Wijngaards-de Meij, & Schaufeli, 2012). Van de 168 participanten, zaten 89 deelnemers in de interventiegroep (W-CGT) en 79 in de CGT-groep. Ook hierin werden de duur van terugkeer naar werk, mentale gezondheidsproblemen en kosten voor de werkgever meegenomen als uitkomstmaat. Er is naar voren gekomen dat de interventie (W-CGT) een beduidend positief effect heeft op de duur van terugkeer naar werk. De deelnemers van de interventiegroep keerden 65 dagen eerder naar werk (complete terugkeer) in vergelijking tot de CGT-groep en 12 dagen eerder bij gedeeltelijke terugkeer naar werk (HR= 1.56, p<0.05 en HR=1.59, p<0.05 respectievelijk). Ook was er sprake van een aanzienlijke vermindering in de mentale gezondheidsproblemen in beide groepen (p<0.05, z-waarden variërend tussen 4.87 en 10.5). Emotionele uitputting, stress en depressie hadden een z-waarde tussen de 3.0 en 7.3 (p<0.05), maar voor angststoornissen was er geen significant effect (z= 1.24, p=0.21). De totale kosten voor de werknemer was ruim $5.000 dollar minder bij de interventiegroep in vergelijking met de controlegroep. Hieruit volgt dat een vroegtijdige focus op het werk tijdens de interventie, het proces voor herstel en terugkeer naar werk kan versnellen. Tabel 9 Beschrijving van CGT studies Studie Interventie Angst specifiek? Werk omgeving? Steek Proef omvang Doelgroep Effect angst (+/0/-) Effect op terug aan werk Sterkte van bewijs Joyce et al. (2016) Mackenzie, Harvey, Mewton, & Andrews (2014) Naidu, Giblin, Burke, & Madan, (2016) Razzouk & Pinheiro, 2014) Algemene CGT Ja Nee review Werknem er + + Hoog Jansson, Perseius, Gunnarsson & Bjorklund (2014) CGT en Problembased method Ja Nee 16 Werknem er + + Redelij k Blonk et al. (2006) Gecombinee rde interventie met technieken gericht op de werkplek en op het individu Nee Nee 122 Werknem er + + Hoog Lagerveld et al. (2012) CGT dat zich richt op het werk (W- CGT) Nee Nee 168 Werknem er 0 + Redelij k Reme et al. (2015) CGT met focus op het werk en individuele werkonderst euning voor mensen die moeite hebben met arbeidsparti cipatie Nee Nee 1193 Werknem er + Nvt Redelij k Reme et al. (2015) hebben een cognitieve gedragstherapie met focus op het werk (CBT) en individuele werkondersteuning voor mensen die moeite hebben met arbeidsparticipatie geëvalueerd om de effectiviteit van deze interventies te meten. Hiervoor is een RCT opgezet met 1.193 participanten die met ziekteverlof waren, risico liepen om met ziekteverlof te gaan of een ziekte-uitkering hadden. De interventie werd vergeleken met reguliere zorg met betrekking tot veranderingen na 12 maanden in de mentale gezondheid en gezondheid-gerelateerde kwaliteit van leven. In vergelijking met de controlegroep, was er sprake van een verhoogde arbeidsparticipatie bij de interventiegroep (37.2% vs. 44.2%, p=0.015). Het verschil was significant na 18 maanden met een verschil van 7.8% (p=0.018) en voor de ziekte-uitkeringsgroep was het verschil 12.2% (p=0.007). Ook is gevonden dat de interventie resulteerde in een vermindering van depressie (t=3.23, p<0.001) en symptomen met betrekking tot angststoornissen (t=2.52, p=0.012). Daarnaast had de interventie ook een positief effect op de kwaliteit van leven (t=2.24, p=0.026) ten opzichte van de gebruikelijke zorg. Hiermee kan gezegd worden dat de interventie (CBT) en individuele ondersteuning een effectieve manier waren om werk participatie te behouden of te verbeteren bij patiënten met algemene geestelijke gezondheidsproblemen.
9.2.4. Werkplek interventies
Reviews: Een andere review die zich richtte op zeven werkinterventies, onderzoekt het effect van kennis van artsen op het gebruik van interventies voor de werkplek (Krupa, 2007). Hierin is naar voren gekomen dat meer kennis van de artsen omtrent arbeidsinterventies voor mensen met geestelijke gezondheidsproblemen, de kans verhoogd dat zij deze interventies in de praktijk gebruiken. Kwalitatieve: In een van de kwalitatieve studies zijn verschillende voorbeelden van interventies genoemd door de werknemer die participeerde in de studie (Haslam, Atkinson et al. 2005). Voorbeelden van interventies voor terugkeer naar het werk zijn: gefaseerde terugkeer-naar-werk, therapeutische werkuren gedurende 4 tot 6 weken met een minimale duur van 2 uur per dag, en frontline medewerkers meer op de achtergrond laten werken zoals bij klantcontact. Er werd echter continu benadrukt vanuit de werknemers dat een van de meest belangrijke factoren voor een succesvolle terugkeer-naar-werk een goede liaison zou zijn tussen werkgevers en bedrijfsartsen. Kwantitatieve: Sun et al. (2013) hebben een werkplek-gebaseerde interventie onderzocht die de mentale gezondheid, de arbeidsgeschiktheid en de productiviteit beoogd te verbeteren. Deze prospectieve cohortstudie is zodanig opgezet dat de interventie 30 maanden heeft plaatsgevonden. Aan dit onderzoek hebben 9 bedrijven deelgenomen waarbij de onderzoekers gegevens hebben verzameld van 2.768 individuen voor de interventie en na de interventie. Hierbij ging het om de arbeidsstressoren, bestendigheid, arbeidsgeschiktheid, afwezigheid, depressie en werkprestatie van de werknemers. Een programma om de gezondheid te verbeteren op het werk werd uitgevoerd als interventie. Dit programma bestond uit beleid voor een gezonde werkomgeving, psychosociale interventies om mentale gezondheid te promoten, het aanbieden van gezondheidszorg voor mensen met mentale problemen, en professionele training om met stress om te kunnen gaan en meer weerstand op te bouwen. Er was sprake van een significant verschil tussen de pre- en postinterventie gegevens van de deelnemers in relatie tot vermindering in arbeidsstressoren, een verhoogde arbeidsgeschiktheid en een verbeterde werkprestatie. Ook heeft de interventie ertoe geleid dat de werknemers minder kans hebben op afwezigheid gerelateerd aan depressie en een reductie in werkgerelateerde stress. Al met al, kan gezegd worden dat de interventieprogramma’s die individuele en organisatorische factoren hebben geïntegreerd, effectief waren. Om de effectiviteit te bestuderen van een module voor de geestelijke gezondheid van gezondheidsmedewerkers (WHS), hebben Gärtner et al. (2011) een RCT-studie opgezet. Het doel was om te onderzoeken of WHS het hulpzoekgedrag van de participanten stimuleerde, of het functioneren op de werkvloer vooruit ging en of de mentale gezondheid verbeterd werd. Hierbij werden verpleegkundigen en paramedici binnen de gezondheidszorg willekeurig onderverdeeld in een interventiegroep of controlegroep. In de interventie zijn mentale klachten en screening van beperkingen binnen het functioneren op de werkvloer opgenomen. Aan het begin, na drie maanden en na 6 maanden werden uitkomstmaten gemeten voor onder andere het gedrag om hulp te zoeken, functioneren op het werk en de mentale gezondheid. De interventiegroep en controlegroep hadden respectievelijk 99 en 126 deelnemers. Hierbij is een significant verschil (p=0.016) gevonden tussen de interventiegroep en de controlegroep in relatie tot het zoeken naar hulp. Ook was er sprake van een significant effect op het functioneren op het werk (p=0.04) binnen de interventiegroep. Tot slot is een significant effect gevonden voor mentale gezondheidsklachten (p<0.01), maar geen beduidend verschil voor riskant drinkgedrag na 3 maanden (p=0.08) en na 6 maanden (p=0.36). Hiermee kan gezegd worden dat de interventie een positieve invloed heeft op het zoeken naar hulp van de deelnemers, veroorzaakt door regelmatig bezoek van bedrijfsartsen als interventiestrategie. Er was echter onvoldoende bewijs voor de reductie van geestelijke gezondheidsklachten. Tabel 10 Beschrijving van studies naar werkplek interventies Studie Interventie Angst specifiek? Werk omgeving? Steekproef omvang Doelgroep Effec t angs t (+/-) Effect op terug aan werk/we rk prestatie Sterkte van bewijs (Sun et al., 2013) Werkplekgebaseerde interventie onderzocht dat de mentale gezondheid, de arbeidsgeschiktheid en de productiviteit verbeterd Nee Ja 2768 Werkneme r nvt + Laag (Gärtner et al., 2011) Module voor de geestelijke gezondheid van gezondheidsmedew erkers (WHS) Nee Ja 225 Werkneme r + + Hoog
9.2.5. Andere interventies
Reviews: Een andere review onderzoekt het gebruik van geestelijke gezondheidsinterventies op het werk en hun effect op werkgerelateerde uitkomsten (Wagner et al., 2016). Deze review maakt geen onderscheid tussen angst en andere stoornissen. Er is matige kwaliteit van bewijs voor de effectiviteit van geestelijke gezondheidsinterventies in de werkomgeving. Een hogere effectiviteit is gevonden voor complexe, multiniveau, multi-interventie programma’s die gebruik maken van zowel geestelijke als fysieke gezondheidsinterventies. Een van de reviews laat zien dat gebruik van fysieke activiteit als interventie op organisatieniveau een positieve invloed heeft op arbeidsparticipatie en leidt tot een verminderd absenteïsme (Bhui, Dinos, Stansfeld, & White, 2012). Kwalitatieve studies: et al. (2015) onderzoeken een interventie voor terugkeer naar werk die gebaseerd is op elementen van het Sherbrooke-model, en het Stages-of-Change model. Het doel van deze interventie is om een snelle terugkeer naar werk te faciliteren en zowel het ziekteverzuim als de symptomen van mentale gezondheidsproblemen te verminderen. Hierbij gaat het om de volgende stappen: 1) een vroegtijdige signalering van participanten; 2) multidisciplinaire beoordeling; en 3) de coördinatie van de belanghebbenden. Hierbij observeren de auteurs de verscheidene manieren van implementatie in drie verschillende gemeenten in Denemarken. Kwantitatieve studies: Een quasi-experimentele studie van Knekt et al. (2008) heeft de effectiviteit gemeten van psychoanalyse als onderdeel van psychotherapie door 71 therapeuten die een standaard training hadden gekregen. Hierbij werden de psychische symptomen, de mogelijkheid tot werken en het arbeidsvermogen onderzocht. In totaal hebben 326 patiënten met stemmingsstoornissen of angststoornissen deelgenomen aan deze studie. Gedurende vijf jaar is op 9 verschillende momenten beoordeeld wat het effect was, gebaseerd op vragenlijsten en in 4 interviews. Er was sprake van een significante vermindering van psychische klachten (tussen de 53 en 72%) en een verbetering in de mogelijkheid tot werken en functionele capaciteit op het werk (variërend tussen de 29 en 34%). In een retrospectieve studie hebben Plat et al. (2011) onderzocht wat het effect was van een behandelingsprogramma in een polikliniek en welke factoren een invloed hebben gehad op de terugkeer naar werk. Het betreft personeel van de politie die is behandeld voor posttraumatische stress stoornis (PTSS) waarbij gebruik is gemaakt van een interview als onderdeel van de opname voor de PTSS-behandeling en een interview nadat een 16-weekse behandelprogramma was afgerond. In deze retrospectieve studie zijn 121 participanten geïncludeerd. Hierbij is naar voren gekomen dat het behandelingsprogramma ertoe heeft geleid dat er vaker sprake was van terugkeer naar het werk (van 62 naar 108 werkende personeel) en dat minder mensen ziek bleven (59 bij opname werd gereduceerd naar 13 mensen met ziekteverzuim aan het eind van het behandelprogramma). In conclusie, de helft van de medewerkers was met ziekteverlof en bijna alle medewerkers waren weer aan het werk na de behandeling. Er zijn geen significante relaties gevonden tussen leeftijd, geslacht, psychologische comorbiditeit, of het aantal jaren werkzaam als politie en de werkstatus na de behandeling. Bakker et al. (2007) hebben in hun studie 433 patiënten geïncludeerd waarbij de effectiviteit van “Minimal Intervention for Stress-related mental disorders with Sick leave” (MISS) werd gemeten ten opzichte van de gebruikelijke zorg. Het doel van MISS is om ziekteverzuim te minderen en de chronische aard van symptomen te voorkomen. Hierbij werd als uitgangspunt genomen, de duur van ziekteverzuim en terugkeer naar het werk en zelf-gerapporteerde stress, depressie, angst en somatisatie. De resultaten waren niet significant verschillend (HR= 1.06, p=0.562) voor zowel de terugkeer naar werk als voor de zelf-gerapporteerde uitgangspunten. De gevonden P-waarden voor ANOVA varieerde tussen de 0.275 en 0.802, waardoor alle gevonden effecten niet significant waren. Brouwers et al. (2007) hebben een RTC uitgevoerd waarbij ze een activerende interventie hebben uitgetest en bekeken of dit tot een reductie van ziekteverzuim zou leiden bij patiënten met emotionele onrust en psychische problemen. Aan dit onderzoek hebben 194 patiënten deelgenomen. De interventie was gericht op het begrijpen van de oorzaken, ontwikkelen en uitvoeren van oplossingen en stimuleren om eerder terug te keren naar het werk. De uitkomsten waren gebaseerd op het aantal dagen met ziekteverzuim en mentale en fysische gezondheid (met behulp van vragenlijsten). Ook in dit onderzoek zijn geen verschillen waargenomen met betrekking tot de uitgangspunten tussen de interventiegroep en de controlegroep. Het enige verschil werd geobserveerd in de experimentele groep; zij scoorden hoger op tevredenheid met betrekking tot de interventie zelf. Reagon (2011) heeft drie “condition management programmes” (CMPs) geëvalueerd en bepaald in hoeverre deze interventies leiden tot een betere gezondheidsbeheersing en terugkeer naar werk. Hiervoor zijn 244 patiënten geïncludeerd in de studie en 27 semigestructureerd interviews met personeel en cliënten. Hierbij heeft de onderzoeker, met behulp van gestandaardiseerde vragenlijsten, de kwaliteit van leven, zelfeffectiviteit, en angst en depressie van de deelnemers bestudeerd. Alle scores van de vragenlijsten waren significant verschillend (P<0.001) ten opzichte van de scores voorafgaand aan CMP, waarmee een verbetering in geestelijke- en lichamelijke gezondheid is geconstateerd. Patiënten met mentale gezondheidsproblemen hadden aanzienlijke verbeteringen in hun scores (F(3,220)= 5.359, p=0.001 voor kwaliteit van leven en F(3.216)= 5.359, p=0.006 voor HADS depressiescore). Tijdens de interviews werd duidelijk dat CMP niet altijd lichamelijke symptomen reduceerde, maar alle participanten spraken over een verbetering van zelfvertrouwen. Volgens de deelnemers was er twijfel over de effectiviteit van CMP voor terugkeer naar werk, waarbij barrières als lichamelijke pijn, geen vervoer en onvoldoende banen werden voorgedragen. Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat CMPs een positief effect hebben op de mentale gezondheid, waarbij vooral het zelfvertrouwen werd vergroot. Eilenberg et al. (2015) hebben de maatschappelijke kosten onderzocht als gevolg van angst in een RCT. Onbehandelde patiënten met angst (n=126) werden gekoppeld aan een groep van 12,600 gezonde mensen, waarbij het aantal weken met ziektewetuitkering werd vergeleken. Daarnaast werd onderzocht of de “Acceptance & Commitment Group Therapy” (ACT-G) onder 63 deelnemers voor een reductie zorgde van het aantal weken van uitkering in vergelijking met een controlegroep van 63 patiënten die op de wachtlijst stonden. De bevindingen wezen uit dat angst resulteerde in het twee weken langer ontvangen van een uitkering via de ziektewet in vergelijking met de algemene populatie (p<0.0001). De interventie (ACT-G) had daarentegen geen significant verschil in relatie tot het verminderen van de aantal weken uitkering in het eerste jaar (χ2= 1.34, p=0.246). Verder zijn er geen verschillen gevonden tussen de ACT-G groep, de controlegroep en de algehele populatie in relatie tot veranderingen in het aantal weken dat een uitkering werd uitbetaald gedurende het eerste jaar van de studie (χ2= 1.23, p=0.541). Angst is geassocieerd met een significant verhoogd aantal dagen van uitkering, wat neerkomt op verhoogde maatschappelijke kosten, maar de interventie had geen voordelig effect op de aantal dagen van uitkering. Ook Van der Feltz-Cornelis et al. (2010) onderzochten terugkeer naar het werk bij werknemers die met ziekteverzuim zijn ten gevolge van mentale problemen met behulp van een RCT. Het doel van dit onderzoek was het meten van de tijdsduur om terug te keren naar werk van de patiënten. De patiënten hadden een psychiatrische consultatie bij hun bedrijfsarts. De patiënten van de interventiegroep gingen naar een bedrijfsarts (n=12), die waren getraind om psychische klachten te herkennen en te behandelen, waaronder depressie, angststoornissen of somatoforme stoornissen. Dit werd vergeleken met de gebruikelijke zorg (“care as usual” [CAU]). De participanten werden willekeurig verdeeld in de interventiegroep of in de controlegroep (29 en 31 respectievelijk). Na drie maanden was 58% van de interventiegroep volledige teruggekeerd naar hun werk, terwijl 44% van de controlegroep naar hun werk waren teruggekeerd (p=0.0093). Na 6 maanden was dit 85% en 84% respectievelijk, waarmee er geen significant verschil meer was (p=0.0574). In totaal was er een verschil van 68 dagen voor ziekteverzuim met 190 dagen voor de controlegroep en 122 dagen voor de interventiegroep (χ2=3.101, p=0.078). Hiermee is duidelijk geworden dat er sprake is van terugkeer naar werk, maar dat de interventie ervoor zorgt dat dit proces versneld wordt in de eerste 3 maanden. Om de effectiviteit te meten van ‘zorg gebaseerd op richtlijnen’ (“guideline-based care” [GBC]), hebben Rebergen et al. (2009) een RCT opgezet met 240 politieagenten met mentale gezondheidsproblemen. Deze interventie initieert terugkeer naar werk doormiddel van het trainen van bedrijfsartsen voor GBC, gebaseerd op een activerende benadering, procesevaluatie, en cognitieve principes voor gedrag. De controlegroep kreeg gebruikelijke zorg (CAU). Hierin zaten 115 deelnemers en in de interventiegroep 125 participanten. Bij terugkeer naar werk werd onderscheid gemaakt tussen een volledige terugkeer en een gedeeltelijke terugkeer op t1 (baseline), t2 (tijdens de behandeling) en t3 (1 jaar als nacontrole). Daarnaast hebben de onderzoekers de tevredenheid over de behandeling geinventariseerd met behulp van een vragenlijst op t3 en prognostische meetwaarden zoals de “Depression Anxiety Stress Scales” (DASS) en HADS-score op t1. Met laatstgenoemde scores kunnen ernst van depressie, stress en angst gemeten worden. Aan de hand van aangepaste coxregressie resultaten, is gebleken dat deze interventie niet voor een eerdere terugkeer naar werk heeft gezorgd (105 vs. 104 patiënten; HR=0.96, p=0.78). Ook bij gedeeltelijke terugkeer naar werk was er geen verschil, met 50 patiënten voor de interventiegroep en 47 patiënten voor de controlegroep (HR=0.99, p=0.94). Ook het aantal dagen dat het heeft geduurd om gedeeltelijke terugkeer naar werk te krijgen, was niet significant verschillend tussen de groepen (HR=1.21, p=0.28). Hiermee kan geconcludeerd worden dat de interventie geen invloed heeft op terugkeer naar het werk van patiënten die mentale gezondheidsklachten hebben. Knekt et al. (2008) hebben de verbeteringen omtrent arbeidsgeschiktheid vergeleken voor twee korte therapieën en 1 langdurige therapie, omdat hiervoor onvoldoende bewijs beschikbaar is. Hiervoor zijn 326 patiënten geïncludeerd die depressie of angststoornis hadden. Een willekeurige verdeling heeft plaatsgevonden voor de langdurige en de kortdurende therapieën voor psychodynamische psychotherapie en voor kortdurende oplossingsgerichte therapie. Deze therapieën zijn uitgebreid omschreven in het artikel. De patiënten werden 3 jaar lang gevolgd vanaf het begin van de therapie. De primaire onderzoeksuitkomsten waren gebaseerd op “Work Ability Index” (WAI), werk-schubschaal (SAS-Work), “Perceived Psychological Functioning Scale” (PPFS), de prevalentie van werkende of studerende patiënten en het aantal dagen van ziekteverlof. Volgens de WAI en SAS-Work resultaten was er sprake van een statistisch significante verbetering omtrent arbeidsgeschiktheid van de patiënten (15% en 17% respectievelijk, p<0.001). Ook de PPFS liet zien dat er een significantie verbetering was omtrent arbeidsgeschiktheid (21%, p<0.001) gedurende de 3-jarige followup. De twee kortdurende therapieën hadden geen significant verschil, maar de langdurende therapie was significant verschillend waarbij 5-12% vooruitgang was waargenomen voor de scores. De gevonden resultaten laten zien dat de kortdurende therapieën sneller leiden tot voordelige gevolgen, maar de langdurende therapie is op den duur effectiever. Tabel 11 Beschrijving van studies naar andere interventies Studie Interventie Angst specifiek? Werk omgevi ng? Steekpr oefomv ang Doelgroep Effect angst (+/0/-) Effect op terug aan werk/werk prestatie Sterkte van bewijs (Martin, Moefelt et al. 2015) Interventie voor terugkeer naar werk die gebaseerd is op elementen van het Sherbrooke-model, en het Stages-of-Change model Ja Ja 213 Werknemer + + Redelijk (Wagner et al., 2016) Complexe, multi-niveau, multi-interventie programma’s die gebruik maken van zowel geestelijke als fysieke gezondheidsinterventies Ja Ja review Werknemers en omgeving + + Hoog (Knekt et al., 2008) Psychoanalyse als onderdeel van psychotherapie Nee, stemming sstoorniss en of angststoo rnissen Nee 326 Patiënten + + Hoog (Plat et al., 2013) Poliklinisch behandelprogramma PTSD Nee 121 Werknemers + + Laag (Bakker et al., 2007) “Minimal Intervention for Stress-related mental disorders with Sick leave” (MISS) Nee Nee 433 Patiënten 0 - Redelijk (Brouwers et al., 2006) Activerende interventie Nee Nee 193 Werknemers 0 - Hoog (Reagon, 2011) Drie “condition management programmes” (CMPs) Nee Nee 244 Werknemers + +/- Laag (Eilenberg et al., 2015) “Acceptance & Commitment group Therapy” (ACT-G) Ja Nee 126 Patiënten nvt + Hoog (van der Feltz- Cornelis et al., 2010) Bedrijfsartsen, die getraind werden om psychische klachten te herkennen en te behandelen Nee Ja 60 Werknemers nvt + Redelijk (Rebergen et al., 2009) Guideline-based care, gebaseerd op een activerende benadering, procesevaluatie afhankelijk van tijd, en cognitieve principes voor gedrag Nee Ja 240 Werknemers nvt - Hoog (Knekt et al., 2008; Knekt et al., 2011) Twee korte therapieën en 1 langdurige therapie Nee Ja 326 Werknemers 0/+ -/+ Hoog
Hoofdstuk 10. Conclusies en aanbevelingen
Het doel van dit rapport was het creëren van inzicht en meer diepgang in de bestaande literatuur over angststoornissen en werk, en om dit te combineren met praktijkervaringen van bedrijfsartsen en verzekeringsartsen. We hebben hiertoe een scoping review van de literatuur gedaan, met een systematische search. Daarnaast hebben we interviews, focusgroepen en een invitational conference gehouden om over de kennisbehoeften en tussentijdse resultaten in gesprek te gaan met het werkveld. Een opvallende bevinding is dat we weinig wetenschappelijke literatuur gevonden hebben waarin het specifiek ging over angst (angstklachten of angststoornissen)7. De meeste artikelen richten zich op angst en depressie, of in het algemeen op psychische stoornissen, inclusief angst. Het is daarom lastig om op basis van de huidige literatuur aanbevelingen te doen over het begeleiden en beoordelen van mensen met angststoornissen in relatie tot arbeidsparticipatie. Het blijkt ook dat het in de bedrijfsgeneeskundige praktijk lastig is om angst te onderscheiden van andere psychische stoornissen. De vraag is dan ook of op dit moment een richtlijn specifiek voor angststoornissen mogelijk is en meerwaarde heeft voor de praktijk. Het heroverwegen hiervan in de richting van (het actualiseren van) een generieke richtlijn voor psychische stoornissen lijkt voor de hand te liggen. Ondanks deze beperking, willen we hier een aantal bevindingen van het onderzoek nader bespreken. Opvallend veel artikelen richten zich op de vraag of angst een effect heeft op arbeidsparticipatie, en het weinig verrassende resultaat is dat dit inderdaad het geval is. Angst zelf (of een voorgeschiedenis van angst) is een risicofactor voor negatieve werkgerelateerde uitkomsten, al is presenteism van mensen met een angststoornis relatief hoger dan bij andere psychische stoornissen. Relevanter voor de bedrijfsen verzekeringsgeneeskundige praktijk zijn studies naar specifieke angststoornissen in relatie tot werkgerelateerde uitkomsten: niet elke angst is hetzelfde. Uit de interviews en literatuur kwam naar voren dat angst een groter effect heeft op werk als de angst zelf is gelinkt aan één van de omgevingen of taken tijdens het werk. Volgens de literatuur hebben generaliseerde angststoornissen of werkgerelateerde angst een grotere invloed op arbeidsparticipatie dan andere angst-gerelateerde stoornissen. Verder zijn in de literatuur factoren gevonden die van invloed zijn op het ontwikkelen van angst bij werkenden. Er is bewijs dat het vrouwelijke geslacht, oudere leeftijd en een lager opleidingsniveau risicofactoren zijn voor het ontwikkelen van angst en voor negatieve werkgerelateerde uitkomsten. Daarnaast zijn lange werkdagen, werkstress en weinig steun van de leidinggevende ook risicofactoren. Er zijn ook factoren gevonden die een positieve invloed kunnen hebben op de angststoornis en op arbeidsparticipatie. Een positieve en ondersteunende werkomgeving heeft een positieve invloed op allebei. Ook begripvolle collega’s en het hebben van een motiverende houding kunnen positieve effecten hebben op re-integratie. Daarnaast geven bedrijfs- en verzekeringsartsen aan dat goede coping mechanismen van de patiënt kunnen zorgen voor een voorspoedig re-integratieproces, net als behandelingen die zijn gericht op het bevorderen van actieve coping mechanismen van patiënten. Hetzelfde geldt voor een goed zelfbeeld, een positief wereldbeeld en een goed leervermogen. Uit het literatuuronderzoek blijkt dat de interventie die de meest gebruikt wordt in de praktijk van angst en arbeidsparticipatie de cognitieve gedragstherapie (CGT) is. Gepubliceerde studies hebben gevonden dat in sommige situaties online therapie even effectief is als een face-to-face behandeling (Billings et al., 2008; Volker et al., 2015). De klinische effectiviteit en het positieve effect op de arbeidsparticipatie van een online interventie werd als een eye-opener gezien door deelnemers van de focusgroep. Men verwacht dat niet elke patiënt hier positief tegenover zal staan en denkt dat de internetbehandeling effectiever is wanneer er sprake is van een lichte vorm van begeleiding of als mogelijkheid wanneer er wachtlijsten zijn voor reguliere CGT. 7 Angst wordt in veel artikelen niet gespecificeerd – soms gaat het over angstklachten, soms over angststoornissen en soms over angst in het algemeen. We gebruiken daarom in dit rapport de term angst om al deze varianten aan te duiden. Een andere eyeopener volgens deelnemers van de focusgroep was dat een combinatie van verschillende terugval-interventies, op individueel, groep en organisatorisch niveau, de geestelijke gezondheid van werknemers kan bevorderen. In de huidige praktijk wordt meestal gebruik gemaakt van CGT of exposuretherapie (door de behandelaar), en er is behoefte aan uitbreiding van het spectrum aan instrumenten voor gebruik in de specialistische en bedrijfsgeneeskundige praktijk. Uit ons literatuuronderzoek zijn geen artikelen gekomen die de effectiviteit van exposure therapie op arbeidsparticipatie onderzochten. De reden is dat deze therapie door specialisten wordt ingezet en niet specifiek gericht is op werkgerelateerde uitkomsten en daardoor niet naar boven kwamen in onze search. In de richtlijnen van het Nederlands Huisartsen Genootschap is opgenomen dat exposure-therapie een effectieve behandeling is voor klachten van verschillende soorten angst (NHG, 2012) en er zijn recentelijk nieuwe varianten ontwikkeld, zoals exposuretherapie met gebruik van virtual reality (Opriş et al. 2012). Ten slotte is uit de interviews en de groepsdiscussies naar voren gekomen dat het voor artsen vaak moeilijk is om psychische stoornissen in het algemeen, en angst in het bijzonder, te herkennen. Symptomen van psychische stoornissen lijken vaak op elkaar en de bestaande richtlijnen zijn onvoldoende specifiek om bedrijfs- en verzekeringsartsen hierbij te ondersteunen. Bedrijfs- en verzekeringsartsen hebben behoefte aan zowel diagnostische als prognostische instrumenten voor het beoordelen van het functioneren van mensen met een angststoornis. In de literatuur zijn geen prognostische instrumenten gevonden die gericht zijn op de beoordeling van functioneren en arbeidsvermogen van mensen met een angststoornis.
Aanbevelingen
Omdat angststoornissen lastig te onderscheiden zijn van andere psychische problemen, sluit een generieke richtlijn voor psychische stoornissen wellicht beter aan bij de verzekerings- en bedrijfsgeneeskundige praktijk dan een richtlijn specifiek voor angststoornissen. Dit kan onderdeel uitmaken van het actualiseren van de richtlijn Psychische Problemen van de NVAB. Er is in de specialistische en bedrijfs-en verzekeringsgeneeskundige praktijk behoefte aan meer onderzoek naar interventies om de arbeidsparticipatie van werknemers met angststoornissen te verhogen. Er is weinig bekend over het beoordelen van arbeidsvermogen van mensen met een angststoornis. Verkennend onderzoek hiernaar verdient aanbeveling, waarbij vooral de huidige ervaringskennis van artsen geïnventariseerd kan worden op basis waarvan best practices geïdentificeerd kunnen worden. Een uitdaging rondom de begeleiding van mensen met een angststoornis is het spanningsveld rondom werkvermijding versus exposure. Het verdient aanbeveling om ervaringskennis over het omgaan met deze spanning te ontsluiten. De beroepsgroepen zouden actief betrokken moeten worden bij deze verkenning (bijv. via het kennisplatform verzekeringsartsen, of het AIOs platform UWV). Verkennend, kwalitatief onderzoek kan leiden tot het formuleren van best practices en concrete handelingsperspectieven voor de praktijk, waarnaar vervolgonderzoek gedaan kan worden om bevindingen te valideren. Ten slotte is een aanbeveling voor beleid om middelen beschikbaar te maken voor onderzoek naar openstaande onderzoeksvragen, en voor het ontwikkelen van richtlijnen voor de begeleiding van mensen met psychische stoornis, en de beoordeling van hun arbeidsvermogen, voor de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskundige praktijk (al dan niet geïntegreerd). Referenties Hassink-Franke, L., Terluin, B., van Heest, F, Hekman, J, van Marwijk, H, van Avendonk, M. (2012) NHG- Standaard Angst. Utrecht, NHG. Opriş, D., Pintea, S., García‐Palacios, A., Botella, C., Szamosközi, Ş., & David, D. (2012). Virtual reality exposure therapy in anxiety disorders: a quantitative meta‐analysis. Depression and anxiety, 29(2), 85-93. Van der Klink et al. (2007) Richtlijn Handelen van de bedrijfsarts bij werkenden met psychische problemen, Utrecht, NVAB.
Geïncludeerde review studies
Abma, F. I., van der Klink, J. J. L., Terwee, C. B., Amick Iii, B. C., & Bültmann, U. (2012). Evaluation of the measurement properties of self-reported health-related work-functioning instruments among workers with common mental disorders. Scandinavian Journal of Work, Environment and Health, 38(1), 5-18. Bannai, A., & Tamakoshi, A. (2014). The association between long working hours and health: a systematic review of epidemiological evidence. Scand J Work Environ Health, 40(1), 5-18. doi:10.5271/sjweh.338 Bhui, K. S., Dinos, S., Stansfeld, S. A., & White, P. D. (2012). A synthesis of the evidence for managing stress at work: a review of the reviews reporting on anxiety, depression, and absenteeism. Journal of environmental and public health, 2012. Corbière, M., Shen, J., Rouleau, M., & Dewa, C. S. (2009). A systematic review of preventive interventions regarding mental health issues in organizations. Work, 33(1), 81-116. Cornelius, L., Klink, J., Groothoff, J., & Brouwer, S. (2011). Prognostic Factors of Long Term Disability Due to Mental Disorders: A Systematic Review. Journal of Occupational Rehabilitation, 21(2), 259-274 216p. doi:10.1007/s10926-010-9261-5 Hergenrather, K. C., Zeglin, R. J., McGuire-Kuletz, M., & Rhodes, S. D. (2015). Employment as a Social Determinant of Health: A Review of Longitudinal Studies Exploring the Relationship Between Employment Status and Mental Health. Rehabilitation Research, Policy & Education (Springer Publishing Company, Inc.), 29(3), 261-290 230p. doi:10.1891/2168- 6653.29.3.261 Joyce, S., Modini, M., Christensen, H., Mykletun, A., Bryant, R., Mitchell, P., & Harvey, S. (2016). Workplace interventions for common mental disorders: a systematic meta-review. Psychological medicine, 46(04), 683-697. Krupa, T. (2007). Interventions to improve employment outcomes for workers who experience mental illness. The Canadian Journal of Psychiatry, 52(6), 339-345. Mackenzie, A., Harvey, S., Mewton, L., & Andrews, G. (2014). Occupational impact of Internetdelivered cognitive behaviour therapy for depression and anxiety: reanalysis of data from five Australian randomised controlled trials. Med J Aust, 201(7), 417-419. Maimaris, W., Hogan, H., & Lock, K. (2011). The impact of working beyond traditional retirement ages on mental health: Implications for public health and welfare policy. Public Health Reviews, 33(2), 532-548. Naidu, V., Giblin, E., Burke, K., & Madan, I. (2016). Delivery of cognitive behavioural therapy to workers: a systematic review. Occupational Medicine, 66(2), 112-117. Nicolle-Mir, L. (2014). Effects of long working hours on health. Environnement, Risques et Sante, 13(4), 291-292. Nieuwenhuijsen, K., Franche, R. L., & Van Dijk, F. J. H. (2010). Work functioning measurement: Tools for occupational mental health research. Journal of Occupational and Environmental Medicine, 52(8), 778-790. Razzouk, D., & Pinheiro, M. (2014). Strategies And Interventions To Reduce The Socio Economic Impact Of Anxiety And Depression At The Workplace. Value in Health, 17(3), A136. Sanderson, K., & Andrews, G. (2006). Common mental disorders in the workforce: recent findings from descriptive and social epidemiology. Can J Psychiatry, 51(2), 63-75. Wagner, S., Koehn, C., White, M., Harder, H., Schultz, I., Williams-Whitt, K., . . . Pasca, R. (2016). Mental Health Interventions in the Workplace and Work Outcomes: A Best-Evidence Synthesis of Systematic Reviews. The international journal of occupational and environmental medicine, 7(1 January), 607-601-614. White, M., Wagner, S., Schultz, I. Z., Murray, E., Bradley, S. M., Hsu, V., . . . Schulz, W. (2013). Modifiable workplace risk factors contributing to workplace absence across health conditions: A stakeholder-centered best-evidence synthesis of systematic reviews. Work, 45(4), 1-12.
Geïncludeerde kwantitatieve studies
Bakker, I. M., Terluin, B., Van Marwijk, H. W., van der Windt, D. A. M., Rijmen, F., van Mechelen, W., & Stalman, W. A. (2007). A cluster-randomised trial evaluating an intervention for patients with stress-related mental disorders and sick leave in primary care. PLOS Clin Trial, 2(6), e26. Banerjee, S., Chatterji, P., & Lahiri, K. (2014). Identifying the mechanisms for workplace burden of psychiatric illness. Medical care, 52(2), 112-120. Belleville, G., Marchand, A., St‐Hilaire, M. H., Martin, M., & Silva, C. (2012). PTSD and depression following armed robbery: patterns of appearance and impact on absenteeism and use of health care services. Journal of traumatic stress, 25(4), 465- 468. Billings, D. W., Cook, R. F., Hendrickson, A., & Dove, D. C. (2008). A web-based approach to managing stress and mood disorders in the workforce. Journal of occupational and environmental medicine/American College of Occupational and Environmental Medicine, 50(8), 960. Blonk, R. W., Brenninkmeijer, V., Lagerveld, S. E., & Houtman, I. L. (2006). Return to work: A comparison of two cognitive behavioural interventions in cases of work-related psychological complaints among the self-employed. Work & Stress, 20(2), 129-144. Bolier, L., Ketelaar, S. M., Nieuwenhuijsen, K., Smeets, O., Gärtner, F. R., & Sluiter, J. K. (2014). Workplace mental health promotion online to enhance well-being of nurses and allied health professionals: A cluster-randomized controlled trial. Internet interventions, 1(4), 196-204. Bouwmans, C., Vemer, P., van Straten, A., Tan, S. S., & Hakkaart-van Roijen, L. (2014). Healthrelated quality of life and productivity losses in patients with depression and anxiety disorders. Journal of Occupational and Environmental Medicine, 56(4), 420-424. Braam, C., Van Oostrom, S., Terluin, B., Vasse, R., De Vet, H., & Anema, J. (2009). Validation study of a distress screener. Journal of occupational rehabilitation, 19(3), 231-237. Brouwers, E. P., Tiemens, B. G., Terluin, B., & Verhaak, P. F. (2006). Effectiveness of an intervention to reduce sickness absence in patients with emotional distress or minor mental disorders: a randomized controlled effectiveness trial. General hospital psychiatry, 28(3), 223-229. Buist‐Bouwman, M., Graaf, R. d., Vollebergh, W., & Ormel, J. (2005). Comorbidity of physical and mental disorders and the effect on work‐loss days. Acta Psychiatrica Scandinavica, 111(6), 436-443. Bystritsky, A., Kerwin, L., Niv, N., Natoli, J. L., Abrahami, N., Klap, R., . . . Young, A. S. (2010). Clinical and subthreshold panic disorder. Depression and anxiety, 27(4), 381-389. Carlier, I., Schulte-Van Maaren, Y., Wardenaar, K., Giltay, E., Van Noorden, M., Vergeer, P., & Zitman, F. (2012). Development and validation of the 48-item Symptom Questionnaire (SQ-48) in patients with depressive, anxiety and somatoform disorders. Psychiatry research, 200(2), 904-910. Chakraborty, S., & Subramanya, A. H. (2013). Socio-demographic and clinical predictors of absenteeism-A cross-sectional study of urban industrial employees. Industrial psychiatry journal, 22(1), 17. D'Souza, R. M., Strazdins, L., Broom, D. H., Rodgers, B., & Berry, H. L. (2006). Work demands, job insecurity and sickness absence from work. How productive is the new, flexible labour force? Australian and New Zealand journal of public health, 30(3), 205-212. Diestel, S., & Schmidt, K. H. (2012). Lagged mediator effects of self‐control demands on psychological strain and absenteeism. Journal of Occupational and Organizational Psychology, 85(4), 556-578. Duijts, S. F., Kant, I., van den Brandt, P. A., & Swaen, G. M. (2008). Effectiveness of a preventive coaching intervention for employees at risk for sickness absence due to psychosocial health complaints: results of a randomized controlled trial. Journal of Occupational and Environmental Medicine, 50(7), 765-776. Eilenberg, T., Frostholm, L., Schröder, A., Jensen, J. S., & Fink, P. (2015). Long-term consequences of severe health anxiety on sick leave in treated and untreated patients: Analysis alongside a randomised controlled trial. Journal of anxiety disorders, 32, 95-102. el-Guebaly, N., Currie, S., Williams, J., Wang, J., Beck, C. A., Maxwell, C., & Patten, S. B. (2007). Association of mood, anxiety, and substance use disorders with occupational status and disability in a community sample. Psychiatric Services, 58(5), 659-667. Erickson, S. R., Guthrie, S., Van Etten‐Lee, M., Himle, J., Hoffman, J., Santos, S. F., . . . Abelson, J. L. (2009). Severity of anxiety and work‐related outcomes of patients with anxiety disorders. Depression and anxiety, 26(12), 1165-1171. Esposito, E., Wang, J. L., Williams, J. V., & Patten, S. B. (2007). Mood and anxiety disorders, the association with presenteeism in employed members of a general population sample. Epidemiologia e psichiatria sociale, 16(03), 231-237. Flach, P. A., Groothoff, J. W., Krol, B., & Bültmann, U. (2012). Factors associated with first return to work and sick leave durations in workers with common mental disorders. The European Journal of Public Health, 22(3), 440-445. Foss, L., Gravseth, H. M., Kristensen, P., Claussen, B., Mehlum, I. S., & Skyberg, K. (2010). Risk factors for long-term absence due to psychiatric sickness: a register-based 5-year follow-up from the Oslo health study. Journal of Occupational and Environmental Medicine, 52(7), 698-705. Gärtner, F. R., Ketelaar, S. M., Smeets, O., Bolier, L., Fischer, E., van Dijk, F. J., . . . Sluiter, J. K. (2011). The Mental Vitality@ Work study: design of a randomized controlled trial on the effect of a workers' health Hoog surveillance mental module for nurses and allied health professionals. BMC Public Health, 11(1), 290. Gjesdal, S., Ringdal, P. R., Haug, K., & Gunnar Mæland, J. (2008). Long-term sickness absence and disability pension with psychiatric diagnoses: a population-based cohort study. Nordic journal of psychiatry, 62(4), 294-301. Godard, C., Chevalier, A., Lecrubier, Y., & Lahon, G. (2006). APRAND programme: an intervention to prevent relapses of anxiety and depressive disorders: first results of a medical health promotion intervention in a population of employees. European psychiatry, 21(7), 451-459. Hendriks, S. M., Spijker, J., Licht, C. M., Hardeveld, F., de Graaf, R., Batelaan, N. M., . . . Beekman, A. T. (2015). Long-term work disability and absenteeism in anxiety and depressive disorders. Journal of affective disorders, 178, 121-130. Hilton, M. F., Scuffham, P. A., Sheridan, J., Cleary, C. M., Vecchio, N., & Whiteford, H. A. (2009). The association between mental disorders and productivity in treated and untreated employees. Journal of Occupational and Environmental Medicine, 51(9), 996-1003. Innstrand, S. T., Langballe, E. M., & Falkum, E. (2012). A longitudinal study of the relationship between work engagement and symptoms of anxiety and depression. Stress and health, 28(1), 1-10. Izutsu, T., Shibuya, M., Tsutsumi, A., Konishi, T., & Kawamura, N. (2008). The relationship between past traumatic experience and sickness absence. International Journal of Social Psychiatry, 54(1), 83-89. Knekt, P., Lindfors, O., Laaksonen, M. A., Raitasalo, R., Haaramo, P., Järvikoski, A., & Group, H. P. S. (2008). Effectiveness of short-term and long-term psychotherapy on work ability and functional capacity—a randomized clinical trial on depressive and anxiety disorders. Journal of affective disorders, 107(1), 95-106. Knekt, P., Lindfors, O., Laaksonen, M. A., Renlund, C., Haaramo, P., Härkänen, T., . . . Group, H. P. S. (2011). Quasi-experimental study on the effectiveness of psychoanalysis, longterm and short-term psychotherapy on psychiatric symptoms, work ability and functional capacity during a 5-year follow-up. Journal of affective disorders, 132(1), 37-47. Knudsen, A. K., Harvey, S. B., Mykletun, A., & Øverland, S. (2013). Common mental disorders and long‐term sickness absence in a general working population. The Hordaland Health Study. Acta Psychiatrica Scandinavica, 127(4), 287-297. Lagerveld, S. E., Blonk, R. W., Brenninkmeijer, V., Wijngaards-de Meij, L., & Schaufeli, W. B. (2012). Work-focused treatment of common mental disorders and return to work: a comparative outcome study. Journal of occupational health psychology, 17(2), 220. LaMontagne, A. D., D'Souza, R., & Shann, C. (2012). Socio-demographic and work setting correlates of poor mental health in a population sample of working Victorians: application in evidence-based intervention priority setting. International Journal of Mental Health Promotion, 14(2), 109-122. Langerak, W., Langeland, W., van Balkom, A., Draisma, S., Terluin, B., & Draijer, N. (2012). A validation study of the Four-Dimensional Symptom Questionnaire (4DSQ) in insurance medicine. Work, 43(3), 369-380. Matthews, L. R. (2005). Work potential of road accident survivors with post-traumatic stress disorder. Behaviour Research and Therapy, 43(4), 475-483. Matthews, L. R., Harris, L. M., & Cumming, S. (2009). Trauma-related appraisals and coping styles of injured adults with and without symptoms of PTSD and their relationship to work potential. Disability and rehabilitation, 31(19), 1577-1583. McCarthy, J. M., Trougakos, J. P., & Cheng, B. H. (2015). Are anxious workers less productive workers? It depends on the quality of social exchange. Melchior, M., Berkman, L. F., Niedhammer, I., Zins, M., & Goldberg, M. (2007). The mental health effects of multiple work and family demands. Social psychiatry and psychiatric epidemiology, 42(7), 573-582. Muñoz, M. d. C. L., Medina-Mora, M. E., Borges, G., & Zambrano, J. (2007). Social cost of mental disorders: Disability and work days lost. Results from the Mexican survey of psychiatric epidemiology. Salud Mental, 30(5), 4-11. Muschalla, B. (2016). Different work capacity impairments in patients with different workanxieties. International archives of occupational and environmental health, 89(4), 609-619. Muschalla, B., & Linden, M. (2012). Specific job anxiety in comparison to general psychosomatic symptoms at admission, discharge and six months after psychosomatic inpatient treatment. Psychopathology, 45(3), 167-173. Muschalla, B., & Linden, M. (2014). Workplace phobia, workplace problems, and work ability among primary care patients with chronic mental disorders. The Journal of the American Board of Family Medicine, 27(4), 486-494. Muschalla, B., Fay, D., & Linden, M. (2016). Self-reported workplace perception as indicators of work anxieties. Occupational medicine, 66(2), 168-170. Muschalla, B., Linden, M., & Olbrich, D. (2010). The relationship between job-anxiety and traitanxiety—A differential diagnostic investigation with the Job-Anxiety-Scale and the State-Trait-Anxiety-Inventory. Journal of anxiety disorders, 24(3), 366-371. Nagashima, S., Suwazono, Y., Okubo, Y., Uetani, M., Kobayashi, E., Kido, T., & Nogawa, K. (2007). Working hours and mental and physical fatigue in Japanese workers. Occupational medicine, 57(6), 449-452. Nakamura, K., Seto, H., Okino, S., Ono, K., Ogasawara, M., Shibamoto, Y., . . . Nakayama, K. (2013). Which Stress Does Influence Returning to Work in Japan, Inside or Outside the Workplace? Iranian journal of public health, 42(11), 1207. Netterstrøm, B., Friebel, L., & Ladegaard, Y. (2013). Effects of a multidisciplinary stress treatment programme on patient return to work rate and symptom reduction: results from a randomised, wait-list controlled trial. Psychotherapy and psychosomatics, 82(3), 177-186. Nieuwenhuijsen, K., Noordik, E., van Dijk, F. J., & van der Klink, J. J. (2013). Return to work perceptions and actual return to work in workers with common mental disorders. Journal of occupational rehabilitation, 23(2), 290-299. Plaisier, I., De Bruijn, J., Smit, J., De Graaf, R., Ten Have, M., Beekman, A., . . . Penninx, B. (2008). Work and family roles and the association with depressive and anxiety disorders: differences between men and women. Journal of Affective Disorders, 105(1), 63-72. Plaisier, I., de Graaf, R., de Bruijn, J., Smit, J., van Dyck, R., Beekman, A., & Penninx, B. (2012). Depressive and anxiety disorders on-the-job: the importance of job characteristics for good work functioning in persons with depressive and anxiety disorders. Psychiatry research, 200(2), 382-388. Plat, M.-C. J., Westerveld, G. J., Hutter, R. C., Olff, M., Frings-Dresen, M. H., & Sluiter, J. K. (2013). Return to work: Police personnel and PTSD. Work, 46(1), 107-111. Prang, K.-H., Bohensky, M., Smith, P., & Collie, A. (2016). Return to work outcomes for workers with mental health conditions: a retrospective cohort study. Injury, 47(1), 257-265. Reagon, C. (2011). Vocational rehabilitation in Wales: a mixed method evaluation of condition management programmes. International Journal of Rehabilitation Research, 34(1), 22-28. Rebergen, D. S., Bruinvels, D. J., Bezemer, P. D., van der Beek, A. J., & Van Mechelen, W. (2009). Guideline-based care of common mental disorders by occupational physicians (CO-OP study): a randomized controlled trial. Journal of Occupational and Environmental Medicine, 51(3), 305-312. Reme, S. E., Grasdal, A. L., Løvvik, C., Lie, S. A., & Øverland, S. (2015). Work-focused cognitive– behavioural therapy and individual job support to increase work participation in common mental disorders: a randomised controlled multicentre trial. Occupational and environmental medicine, 72(10), 745-752. Roelen, C. A., Hoedeman, R., van Rhenen, W., Groothoff, J. W., van der Klink, J. J., & Bültmann, U. (2014). Mental health symptoms as prognostic risk markers of all-cause and psychiatric sickness absence in office workers. The European Journal of Public Health, 24(1), 101-105. Ruitenburg, M. M., Frings-Dresen, M. H., & Sluiter, J. K. (2012). The prevalence of common mental disorders among hospital physicians and their association with self-reported work ability: a cross-sectional study. BMC health services research, 12(1), 1. Sanderson, K., Nicholson, J., Graves, N., Tilse, E., & Oldenburg, B. (2008). Mental health in the workplace: using the ICF to model the prospective associations between symptoms, activities, participation and environmental factors. Disability and rehabilitation, 30(17), 1289-1297. Stein, M. B., Roy-Byrne, P. P., Craske, M. G., Bystritsky, A., Sullivan, G., Pyne, J. M., . . . Sherbourne, C. D. (2005). Functional impact and health utility of anxiety disorders in primary care outpatients. Medical care, 43(12), 1164-1170. Sudhir, P. M., Sharma, M. P., Mariamma, P., & Subbakrishna, D. (2012). Quality of life in anxiety disorders: Its relation to work and social functioning and dysfunctional cognitions: An exploratory study from India. Asian journal of psychiatry, 5(4), 309-314. Sun, J., Buys, N., & Wang, X. (2013). Effectiveness of a workplace-based intervention program to promote mental health among employees in privately owned enterprises in China. Population health management, 16(6), 406-414. Torske, M. O., Hilt, B., Bjørngaard, J. H., Glasscock, D., & Krokstad, S. (2015). Disability pension and symptoms of anxiety and depression: a prospective comparison of farmers and other occupational groups. The HUNT Study, Norway. BMJ open, 5(11), e009114. Torvik, F. A., Gjerde, L. C., Røysamb, E., Tambs, K., Kendler, K. S., Czajkowski, N. O., . . . Ørstavik, R. E. (2014). Genetic and environmental contributions to the relationship between internalizing disorders and sick leave granted for mental and somatic disorders. Twin Research and Human Genetics, 17(04), 225-235. van der Feltz-Cornelis, C. M., Hoedeman, R., de Jong, F. J., Meeuwissen, J. A., Drewes, H. W., van der Laan, N. C., & Adèr, H. J. (2010). Faster return to work after psychiatric consultation for sicklisted employees with common mental disorders compared to care as usual. A randomized clinical trial. Neuropsychiatric disease and treatment, 6, 375. Virtanen, M., Ferrie, J. E., Singh-Manoux, A., Shipley, M. J., Stansfeld, S. A., Marmot, M. G., . . . Kivimäki, M. (2011). Long working hours and symptoms of anxiety and depression: a 5-year follow-up of the Whitehall II study. Psychological medicine, 41(12), 2485-2494. Volker, D., Zijlstra-Vlasveld, M. C., Anema, J. R., Beekman, A. T., Brouwers, E. P., Emons, W. H., . . . van der Feltz-Cornelis, C. M. (2015). Effectiveness of a blended web-based intervention on return to work for sick-listed employees with common mental disorders: Results of a cluster randomized controlled trial. Journal of medical Internet research, 17(5). Waghorn, G., Chant, D., White, P., & Whiteford, H. (2005). Disability, employment and work performance among people with ICD-10 anxiety disorders. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry, 39(1-2), 55-66. Waldenström, K., Ahlberg, G., Bergman, P. u., Forsell, Y., Stoetzer, U., Waldenström, M., & Lundberg, I. (2008). Externally assessed psychosocial work characteristics and diagnoses of anxiety and depression. Occupational and Environmental Medicine, 61 65(2), 90-96. Wedegaertner, F., Arnhold-Kerri, S., Sittaro, N.-A., Bleich, S., Geyer, S., & Lee, W. E. (2013). Depression-and anxiety-related sick leave and the risk of permanent disability and mortality in the working population in Germany: a cohort study. BMC Public Health, 13(1), 1. Zatzick, D., Jurkovich, G. J., Rivara, F. P., Wang, J., Fan, M.-Y., Joesch, J., & Mackenzie, E. (2008). A national US study of posttraumatic stress disorder, depression, and work and functional outcomes after hospitalization for traumatic injury. Annals of surgery, 248(3), 429-437.
Geïncludeerde kwalitatieve studies
Bertilsson, M., Love, J., Ahlborg, G., Jr., & Hensing, G. (2015). Health care professionals' experience-based understanding of individuals' capacity to work while depressed and anxious. Scand J Occup Ther, 22(2), 126-136. doi:10.3109/11038128.2014.985607 Bertilsson, M., Petersson, E. L., Ostlund, G., Waern, M., & Hensing, G. (2013). Capacity to work while depressed and anxious--a phenomenological study. Disabil Rehabil, 35(20), 1705-
- doi:10.3109/09638288.2012.751135
Cowls, J., & Galloway, E. (2009). Understanding how traumatic re-enactment impacts the workplace: assisting clients' successful return to work. Work, 33(4), 401-411. doi:10.3233/wor-2009-0889 Haslam, C., Atkinson, S., Brown, S., & Haslam, R. A. (2005a). Perceptions of the impact of depression and anxiety and the medication for these conditions on safety in the workplace. Occup Environ Med, 62(8), 538-545. doi:10.1136/oem.2004.016196 Haslam, C., Atkinson, S., Brown, S. S., & Haslam, R. A. (2005b). Anxiety and depression in the workplace: effects on the individual and organisation (a focus group investigation). J Affect Disord, 88(2), 209-215. doi:10.1016/j.jad.2005.07.009 Hees, H. L., Nieuwenhuijsen, K., Koeter, M. W. J., Bültmann, U., & Schene, A. H. (2012). Towards a new definition of return-to-work outcomes in common mental disorders from a multistakeholder perspective. PLoS ONE, 7(6). Jansson, I., Perseius, K. I., Gunnarsson, A. B., & Bjorklund, A. (2014). Work and everyday activities: experiences from two interventions addressing people with common mental disorders. Scand J Occup Ther, 21(4), 295-304. doi:10.3109/11038128.2014.894572 Lemieux, P., Durand, M. J., & Hong, Q. N. (2011). Supervisors' perception of the factors influencing the return to work of workers with common mental disorders. J Occup Rehabil, 21(3), 293-303. doi:10.1007/s10926-011-9316-2 Martin, L. A., Neighbors, H. W., & Griffith, D. M. (2013). The experience of symptoms of depression in men vs women: Analysis of the national comorbidity survey replication. JAMA Psychiatry, 70(10), 1100-1106. doi:10.1001/jamapsychiatry.2013.1985 Nielsen, M. B., Rugulies, R., Hjortkjaer, C., Bültmann, U., & Christensen, U. (2013). Healing a vulnerable self: exploring return to work for women with mental health problems. Qualitative health research, 23(3), 302-312. Reavley, N. J., Ross, A., Killackey, E. J., & Jorm, A. F. (2012). Development of guidelines to assist organisations to support employees returning to work after an episode of anxiety, depression or a related disorder: a Delphi consensus study with Australian professionals and consumers. BMC Psychiatry, 12, 135. doi:10.1186/1471-244x-12-135 Steingrímsdóttir, S. H., & Halldórsdóttir, S. (2015). Exacerbated vulnerability in existential changes: The essence of dealing with reduced working capacity. International Journal for Educational and Vocational Guidance. doi:10.1007/s10775-015-9297-3
Pubmed (14 March 2016)
Anxiety Disorders "Anxiety"[Mesh:NoExp] OR "Performance Anxiety"[Mesh] OR "Anxiety Disorders"[Mesh] OR anxiety[tiab] OR obsessive compulsive disorder*[tiab] OR panic disorder*[tiab] OR phobia*[tiab] OR phobic*[tiab] OR agoraphobia*[tiab] OR neurose[tiab] OR neuroses[tiab] OR neurosis[tiab] OR neurotic[tiab] OR stress disorder*[tiab] Work-related Outcomes "Convalescence"[Mesh] OR "Absenteeism"[Mesh] OR "Sick Leave"[Mesh] OR "Return to Work"[Mesh] OR "Work Performance"[Mesh] OR convalescen*[tiab] OR absente*[tiab] OR work absence*[tiab] OR disability absence*[tiab] OR sick day*[tiab] OR illness day*[tiab] OR sickness absence*[tiab] OR work absenteeism[tiab] OR work day loss*[tiab] OR work time loss*[tiab] OR medical leave*[tiab] OR sick leave*[tiab] OR disability leave*[tiab] OR return-to-work[tiab] OR backto-work[tiab] OR reintegration[tiab] OR reemployment[tiab] OR job reentry[tiab] OR presenteeism[tiab] OR work productivit*[tiab] OR work function*[tiab] OR work participation[tiab] OR work performance*[tiab] OR performance at work[tiab] OR employment status[tiab] OR work status[tiab] OR work ability[tiab] OR work retention[tiab] OR workability[tiab] OR work sustainability[tiab] OR working hour*[tiab] OR working task*[tiab] OR task at work[tiab] OR tasks at work[tiab] OR ("Efficiency"[Mesh] AND (work*[tiab] OR job*[tiab])) OR "Work Capacity Evaluation"[Mesh] OR work capacit*[tiab] OR work disabilit*[tiab] OR work incapacity[tiab] OR work incapacities[tiab] OR work capabilit*[tiab] OR work incapabilit*[tiab] OR work inhibition*[tiab] OR work abilit*[tiab]
Embase (14 March 2016)
Anxiety Disorders ‘anxiety’/exp OR ‘anxiety disorder’/exp OR anxiety:ab,ti OR ‘obsessive compulsive disorder*’:ab,ti OR ‘panic disorder*’:ab,ti OR phobia*:ab,ti OR phobic*:ab,ti OR agoraphobia*:ab,ti OR neurose:ab,ti OR neuroses:ab,ti OR neurosis:ab,ti OR neurotic:ab,ti OR ’stress disorder*’:ab,ti Work-related Outcomes 'absenteeism'/exp OR 'convalescence'/exp OR 'medical leave'/exp OR 'return to work'/exp OR ‘job performance’/exp OR 'work capacity'/exp OR 'work resumption'/exp OR convalescen*:ab,ti OR absente*:ab,ti OR ‘work absence*’:ab,ti OR ‘disability absence*’:ab,ti OR ‘sick day*’:ab,ti OR ‘illness day*’:ab,ti OR ‘sickness absence*’:ab,ti OR ‘work absenteeism’:ab,ti OR ‘work day loss*’:ab,ti OR ‘work time loss*’:ab,ti OR ‘medical leave*’:ab,ti OR ‘sick leave*’:ab,ti OR ’disability leave*’:ab,ti OR ‘return-to-work’:ab,ti OR ‘back- to-work’:ab,ti OR reintegration:ab,ti OR reemployment:ab,ti OR ‘job reentry’:ab,ti OR presenteeism:ab,ti OR ‘work productivit*’:ab,ti OR ‘work function*’:ab,ti OR ‘work participation’:ab,ti OR ‘work performance*’:ab,ti OR ‘performance at work’:ab,ti OR ‘employment status’:ab,ti OR ‘work status’:ab,ti OR ‘work ability’:ab,ti OR ‘work retention’:ab,ti OR workability:ab,ti OR ‘work sustainability’:ab,ti OR ‘working hour*’:ab,ti OR ‘working task*’:ab,ti OR ‘task at work’:ab,ti OR ‘tasks at work’:ab,ti OR (‘productivity’/exp AND (work*:ab,ti OR job*:ab,ti)) OR ‘work capacit*’:ab,ti OR ‘work disabilit*’:ab,ti OR ‘work incapacity’:ab,ti OR ‘work incapacities’:ab,ti OR ‘work capabilit*’:ab,ti OR ‘work incapabilit*’:ab,ti OR ‘work inhibition*’:ab,ti OR ‘work abilit*’:ab,ti
PyscINFO (EBSCO) (March 14 2016)
Anxiety Disorders (DE "Anxiety" OR DE "Performance Anxiety" OR DE "Anxiety Disorders" OR DE "Generalized Anxiety Disorder" OR DE "Neurosis" OR DE "Panic" OR DE "Panic Attack" OR DE "Panic Disorder" OR DE "Phobias" OR DE "Post-Traumatic Stress" OR DE "Neurosis" OR DE "Occupational Neurosis" OR DE "Obsessive Compulsive Disorder" OR DE "Occupational Stress" OR DE "Occupational Neurosis" OR DE "Quality of Work Life" OR DE "Phobias" OR DE "Acrophobia" OR DE "Agoraphobia" OR DE "Claustrophobia" OR DE "Ophidiophobia" OR DE "School Phobia" OR DE "Social Phobia" ) OR TI ( (anxiety OR “obsessive compulsive disorder*” OR “panic disorder*” OR phobia* OR phobic* OR agoraphobia* OR neurose OR neuroses OR neurosis OR neurotic OR “stress disorder*”) ) OR AB ( (anxiety OR “obsessive compulsive disorder*” OR “panic disorder*” OR phobia* OR phobic* OR agoraphobia* OR neurose OR neuroses OR neurosis OR neurotic OR “stress disorder*”)) Work-related Outcomes DE "Employee Absenteeism" OR DE "Employee Leave Benefits" OR DE "Reemployment" OR DE "Job Performance" OR DE "Employee Efficiency" OR DE "Employee Productivity" OR convalescen* OR absente* OR “work absence*” OR “disability absence*” OR “sick day*” OR “illness day*” OR “sickness absence*” OR “work absenteeism” OR “work day loss*” OR “work time loss*“ OR “medical leave*” OR “sick leave*” OR “disability leave*” OR “return-to-work” OR “back- to-work” OR reintegration OR reemployment OR “job re-entry” OR presenteeism OR “work productivit*” OR “work function*” OR “work participation” OR “work performance*” OR “performance at work” OR “employment status” OR “work status” OR “work ability” OR “work retention” OR workability OR “work sustainability” OR “working hour*” OR “working task*” OR “task at work” OR “tasks at work” OR “work capacit*” OR “work disabilit*” OR “work incapacity” OR “work incapacities” OR “work capabilit*” OR “work incapabilit*” OR “work inhibition*” OR “work abilit*” ( DE "Employee Absenteeism" OR DE "Employee Leave Benefits" OR DE "Reemployment" OR DE "Job Performance" OR DE "Employee Efficiency" OR DE "Employee Productivity" ) OR TI ( convalescen* OR absente* OR “work absence*” OR “disability absence*” OR “sick day*” OR “illness day*” OR “sickness absence*” OR “work absenteeism” OR “work day loss*” OR “work time loss*“ OR “medical leave*” OR “sick leave*” OR “disability leave*” OR “return-to-work” OR “back- to-work” OR reintegration OR reemployment OR “job re-entry” OR presenteeism OR “work productivit*” OR “work function*” OR “work participation” OR “work performance*” OR “performance at work” OR “employment status” OR “work status” OR “work ability” OR “work retention” OR workability OR “work sustainability” OR “working hour*” OR “working task*” OR “task at work” OR “tasks at work” OR “work capacit*” OR “work disabilit*” OR “work incapacity” OR “work incapacities” OR “work capabilit*” OR “work incapabilit*” OR “work inhibition*” OR “work abilit*” ) OR AB ( convalescen* OR absente* OR “work absence*” OR “disability absence*” OR “sick day*” OR “illness day*” OR “sickness absence*” OR “work absenteeism” OR “work day loss*” OR “work time loss*“ OR “medical leave*” OR “sick leave*” OR “disability leave*” OR “return-to-work” OR “back- to-work” OR reintegration OR reemployment OR “job re-entry” OR presenteeism OR “work productivit*” OR “work function*” OR “work participation” OR “work performance*” OR “performance at work” OR “employment status” OR “work status” OR “work ability” OR “work retention” OR workability OR “work sustainability” OR “working hour*” OR “working task*” OR “task at work” OR “tasks at work” OR “work capacit*” OR “work disabilit*” OR “work incapacity” OR “work incapacities” OR “work capabilit*” OR “work incapabilit*” OR “work inhibition*” OR “work abilit*” )
Cinahl (EBSCO) (March 14 2016)
Anxiety Disorders (MH "Anxiety") OR (MH "Anxiety Disorders+") OR TI ( (anxiety OR “obsessive compulsive disorder*” OR “panic disorder*” OR phobia* OR phobic* OR agoraphobia* OR neurose OR neuroses OR neurosis OR neurotic OR “stress disorder*”) ) OR AB ( (anxiety OR “obsessive compulsive disorder*” OR “panic disorder*” OR phobia* OR phobic* OR agoraphobia* OR neurose OR neuroses OR neurosis OR neurotic OR “stress disorder*”) ) Work-related Outcomes (MH "Recovery") OR (MH "Absenteeism") OR (MH "Sick Leave") OR (MH "Job Re-Entry") OR (MH "Employee Performance Appraisal+") OR (MH "Job Performance") OR TI ( convalescen* OR absente* OR “work absence*” OR “disability absence*” OR “sick day*” OR “illness day*” OR “sickness absence*” OR “work absenteeism” OR “work day loss*” OR “work time loss*“ OR “medical leave*” OR “sick leave*” OR “disability leave*” OR “return-to-work” OR “backto-work” OR reintegration OR reemployment OR “job re-entry” OR presenteeism OR “work productivit*” OR “work function*” OR “work participation” OR “work performance*” OR “performance at work” OR “employment status” OR “work status” OR “work ability” OR “work retention” OR workability OR “work sustainability” OR “working hour*” OR “working task*” OR “task at work” OR “tasks at work” OR “work capacit*” OR “work disabilit*” OR “work incapacity” OR “work incapacities” OR “work capabilit*” OR “work incapabilit*” OR “work inhibition*” OR “work abilit*” ) OR AB ( convalescen* OR absente* OR “work absence*” OR “disability absence*” OR “sick day*” OR “illness day*” OR “sickness absence*” OR “work absenteeism” OR “work day loss*” OR “work time loss*“ OR “medical leave*” OR “sick leave*” OR “disability leave*” OR “return-to-work” OR “backto-work” OR reintegration OR reemployment OR “job re-entry” OR presenteeism OR “work productivit*” OR “work function*” OR “work participation” OR “work performance*” OR “performance at work” OR “employment status” OR “work status” OR “work ability” OR “work retention” OR workability OR “work sustainability” OR “working hour*” OR “working task*” OR “task at work” OR “tasks at work” OR “work capacit*” OR “work disabilit*” OR “work incapacity” OR “work incapacities” OR “work capabilit*” OR “work incapabilit*” OR “work inhibition*” OR “work abilit*” )
Cochrane Library (March 14 2016)
Anxiety Disorders anxiety OR “obsessive compulsive disorder*” OR “panic disorder*” OR phobia* OR phobic* OR agoraphobia* OR neurose OR neuroses OR neurosis OR neurotic OR “stress disorder*” Work-related Outcomes convalescen* OR absente* OR “work absence*” OR “disability absence*” OR “sick day*” OR “illness day*” OR “sickness absence*” OR “work absenteeism” OR “work day loss*” OR “work time loss*“ OR “medical leave*” OR “sick leave*” OR “disability leave*” OR “return-to-work” OR “back- to-work” OR reintegration OR reemployment OR “job re-entry” OR presenteeism OR “work productivit*” OR “work function*” OR “work participation” OR “work performance*” OR “performance at work” OR “employment status” OR “work status” OR “work ability” OR “work retention” OR workability OR “work sustainability” OR “working hour*” OR “working task*” OR “task at work” OR “tasks at work” OR “work capacit*” OR “work disabilit*” OR “work incapacity” OR “work incapacities” OR “work capabilit*” OR “work incapabilit*” OR “work inhibition*” OR “work abilit*” OR “job performance”
Inclusie criteria:
o Uitkomstmaat is gerelateerd aan werk o Interventies vinden plaats in de werkomgeving o Populatie is gedefinieerd als werknemers met ziekteverzuim OF werknemers met angstklachten o Effecten van werkgerelateerde variabelen op geestelijke gezondheidsvariabelen o Effecten van geestelijke gezondheidsvariabele (met name angst) op werkgerelateerde uitkomsten o Expliciet genoemd: populatie van mensen met angst
Exclusie criteria
o Artikel is niet Nederlands of Engelstalig o Enkel gericht op prevalentie van angst o Onderzoek in de militaire context met enkel oorlogsveteranen o Enkel beschrijvende statistiek (bijv. hoeveel dagen men ziek was) o Geen link met werkgerelateerde uitkomsten o Geen link met angst
Bijlage 4. Stroomdiagram selectieprocess scoping review arbeidsparticipatie
van mensen met angststoornissen
Bijlage 5. Operationalisering methodologische kwaliteit van bewijs primaire
studies – Standard quality assessment criteria for evaluating primary research papers from a variety of fields Voor het bepalen van de methodologische kwaliteit van primaire studies zijn onderstaande beoordelingscriteria gebruikt. Voor de kwantitatieve studies zijn vraag 5, 6 en 7 niet van toepassing, daarom zijn deze buiten beschouwing gelaten. Voor de kwalitatieve studies zijn alle vragen meegenomen. Voor vraag 4 (subject) zijn de volgende karakteristieken gekozen: leeftijd participanten, aantal mannen in de sample, behandeling, jaar van diagnose. Vervolgens is de ‘summary score’ berekend en is op basis van deze score, hoewel gebaseerd op literatuur, een arbitraire beslissing over de methodologische kwaliteit van de studies. <0,5 Laag 0,5-0.7 Voldoende 0,8-1 Hoog Standard quality assessment criteria for evaluating primary research papers from a variety of fields
- Question or objective sufficiently described?
Yes: Is easily identified in the introductory section (or first paragraph of methods section). Specifies (where applicable, depending on study design) all of the following: purpose, subjects/target population, and the specific intervention(s) /association(s)/descriptive parameter(s) under investigation. A study purpose that only becomes apparent after studying other parts of the paper is not considered sufficiently described. Partial: Vaguely/incompletely reported (e.g. “describe the effect of” or “examine the role of” or “assess opinion on many issues” or “explore the general attitudes”...); or some information has to be gathered from parts of the paper other than the introduction/background/objective section. No: Question or objective is not reported, or is incomprehensible. N/A: Should not be checked for this question.
- Design evident and appropriate to answer study question?
(If the study question is not given, infer from the conclusions). Yes: Design is easily identified and is appropriate to address the study question /objective. Partial: Design and /or study question not clearly identified, but gross inappropriateness is not evident; or design is easily identified but only partially addresses the study question. No: Design used does not answer study question (e.g., a comparison group is required to answer the study question, but none was used); or design cannot be identified. N/A: Should not be checked for this question.
- Method of subject selection (and comparison group selection, if applicable)
or source of information/input variables (e.g., for decision analysis) is described and appropriate. Yes: Described and appropriate. Selection strategy designed (i.e., consider sampling frame and strategy) to obtain an unbiased sample of the relevant target population or the entire target population of interest (e.g., consecutive patients for clinical trials, population-based random sample for case-control studies or surveys). Where applicable, inclusion/exclusion criteria are described and defined (e.g., “cancer” -- ICD code or equivalent should be provided). Studies of volunteers: methods and setting of recruitment reported. Surveys: sampling frame/ strategy clearly described and appropriate. Partial: Selection methods (and inclusion/exclusion criteria, where applicable) are not completely described, but no obvious inappropriateness. Or selection strategy is not ideal (i.e., likely introduced bias) but did not likely seriously distort the results (e.g., telephone survey sampled from listed phone numbers only; hospital based case-control study identified all cases admitted during the study period, but recruited controls admitted during the day/evening only). Any study describing participants only as “volunteers” or “healthy volunteers”. Surveys: target population mentioned but sampling strategy unclear. No: No information provided. Or obviously inappropriate selection procedures (e.g., inappropriate comparison group if intervention in women is compared to intervention in men). Or presence of selection bias which likely seriously distorted the results (e.g., obvious selection on “exposure” in a case-control study). N/A: Descriptive case series/reports.
- Subject (and comparison group, if applicable) characteristics or invariables/information (e.g., for decision
analyses) sufficiently described? Yes: Sufficient relevant baseline/demographic information clearly characterizing the participants is provided (or reference to previously published baseline data is provided). Where applicable, reproducible criteria used to describe/categorize the participants are clearly defined (e.g., ever-smokers, depression scores, systolic blood pressure > 140). If “healthy volunteers” are used, age and sex must be reported (at minimum). Decision analyses: baseline estimates for input variables are clearly specified. Partial: Poorly defined criteria (e.g. “hypertension”, “healthy volunteers”, “smoking”). Or incomplete relevant baseline / demographic information (e.g., information on likely confounders not reported). Decision analyses: incomplete reporting of baseline estimates for input variables. No: No baseline / demographic information provided. Decision analyses: baseline estimates of input variables not given. N/A: Should not be checked for this question.
- If random allocation to treatment group was possible, is it described?
Yes: True randomization done - requires a description of the method used (e.g., use of random numbers). Partial: Randomization mentioned, but method is not (i.e. it may have been possible that randomization was not true). No: Random allocation not mentioned although it would have been feasible and appropriate (and was possibly done). N/A: Observational analytic studies. Uncontrolled experimental studies. Surveys. Descriptive case series / reports. Decision analyses.
- If interventional and blinding of investigators to intervention was possible,
is it reported? Yes: Blinding reported. Partial: Blinding reported but it is not clear who was blinded. No: Blinding would have been possible (and was possibly done) but is not reported. N/A: Observational analytic studies. Uncontrolled experimental studies. Surveys. Descriptive case series / reports. Decision analyses.
- If interventional and blinding of subjects to intervention was possible,
is it reported? Yes: Blinding reported. Partial: Blinding reported but it is not clear who was blinded. No: Blinding would have been possible (and was possibly done) but is not reported. N/A: Observational studies. Uncontrolled experimental studies. Surveys. Descriptive case series / reports.
- Outcome and (if applicable) exposure measure(s) well defined
and robust to measurement / misclassification bias? Means of assessment reported? Yes: Defined (or reference to complete definitions is provided) and measured according to reproducible, “objective” criteria (e.g., death, test completion – yes/no, clinical scores). Little or minimal potential for measurement / misclassification errors. Surveys: clear description (or reference to clear description) of questionnaire/interview content and response options. Decision analyses: sources of uncertainty are defined for all input variables. Partial: Definition of measures leaves room for subjectivity, or not sure (i.e., not reported in detail, but probably acceptable). Or precise definition(s) are missing, but no evidence or problems in the paper that would lead one to assume major problems. Or instrument/mode of assessment(s) not reported. Or misclassification errors may have occurred, but they did not likely seriously distort the results (e.g., slight difficulty with recall of long-ago events; exposure is measured only at baseline in a long cohort study). Surveys: description of questionnaire/interview content incomplete; response options unclear. Decision analyses: sources of uncertainty are defined only for some input variables. No: Measures not defined, or are inconsistent throughout the paper. Or measures employ only ill-defined, subjective assessments, e.g. “anxiety” or “pain.” Or obvious misclassification errors/measurement bias likely seriously distorted the results (e.g., a prospective cohort relies on self-reported outcomes among the “unexposed” but requires clinical assessment of the “exposed”). Surveys: no description of questionnaire/interview content or response options. Decision analyses: sources of uncertainty are not defined for input variables. N/A: Descriptive case series / reports.
- Sample size appropriate?
Yes: Seems reasonable with respect to the outcome under study and the study design. When statistically significant results are achieved for major outcomes, appropriate sample size can usually be assumed, unless large standard errors (SE > 1⁄2 effect size) and/or problems with multiple testing are evident. Decision analyses: size of modeled cohort / number of iterations specified and justified. Partial: Insufficient data to assess sample size (e.g., sample seems “small” and there is no mention of power/sample size/effect size of interest and/or variance estimates aren’t provided). Or some statistically significant results with standard errors > 1⁄2 effect size (i.e., imprecise results). Or some statistically significant results in the absence of variance estimates. Decision analyses: incomplete description or justification of size of modeled cohort / number of iterations. No: Obviously inadequate (e.g., statistically non-significant results and standard errors > 1⁄2 effect size; or standard deviations > _ of effect size; or statistically non-significant results with no variance estimates and obviously inadequate sample size). Decision analyses: size of modeled cohort / number of iterations not specified. N/A: Most surveys (except surveys comparing responses between groups or change over time). Descriptive case series / reports.
- Analysis described and appropriate?
Yes: Analytic methods are described (e.g. “chi square”/ “t-tests”/“Kaplan-Meier with log rank tests”, etc.) and appropriate. Partial: Analytic methods are not reported and have to be guessed at, but are probably appropriate. Or minor flaws or some tests appropriate, some not (e.g., parametric tests used, but unsure whether appropriate; control group exists but is not used for statistical analysis). Or multiple testing problems not addressed. No: Analysis methods not described and cannot be determined. Or obviously inappropriate analysis methods (e.g., chi-square tests for continuous data, SE given where normality is highly unlikely, etc.). Or a study with a descriptive goal / objective is over-analyzed. N/A: Descriptive case series / reports.
- Some estimate of variance (e.g., confidence intervals, standard errors) is reported for the main
results/outcomes (i.e., those directly addressing the study question/ objective upon which the conclusions are based)? Yes: Appropriate variances estimate(s) is/are provided (e.g., range, distribution, confidence intervals, etc.). Decision analyses: sensitivity analysis includes all variables in the model. Partial: Undefined “+/-“ expressions. Or no specific data given, but insufficient power acknowledged as a problem. Or variance estimates not provided for all main results/outcomes. Or inappropriate variance estimates (e.g., a study examining change over time provides a variance around the parameter of interest at “time 1” or “time 2”, but does not provide an estimate of the variance around the difference). Decision analyses: sensitivity analysis is limited, including only some variables in the model. No: No information regarding uncertainty of the estimates. Decision analyses: No sensitivity analysis. N/A: Descriptive case series / reports. Descriptive surveys collecting information using open-ended questions.
- Controlled for confounding?
Yes: Randomized study, with comparability of baseline characteristics reported (or non-comparability controlled for in the analysis). Or appropriate control at the design or analysis stage (e.g., matching, subgroup analysis, multivariate models, etc). Decision analyses: dependencies between variables fully accounted for (e.g., joint variables are considered). Partial: Incomplete control of confounding. Or control of confounding reportedly done but not completely described. Or randomized study without report of comparability of baseline characteristics. Or confounding not considered, but not likely to have seriously distorted the results. Decision analyses: incomplete consideration of dependencies between variables. No: Confounding not considered, and may have seriously distorted the results. Decision analyses: dependencies between variables not considered. N/A: Cross-sectional surveys of a single group (i.e., surveys examining change over time or surveys comparing different groups should address the potential for confounding). Descriptive studies. Studies explicitly stating the analysis is strictly descriptive/exploratory in nature.
- Results reported in sufficient detail?
Yes: Results include major outcomes and all mentioned secondary outcomes. Partial: Quantitative results reported only for some outcomes. Or difficult to assess as study question/objective not fully described (and is not made clear in the methods section), but results seem appropriate. No: Quantitative results are reported for a subsample only, or “n” changes continually across the denominator (e.g., reported proportions do not account for the entire study sample, but are reported only for those with complete data -- i.e., the category of “unknown” is not used where needed). Or results for some major or mentioned secondary outcomes are only qualitatively reported when quantitative reporting would have been possible (e.g., results include vague comments such as “more likely” without quantitative report of actual numbers). N/A: Should not be checked for this question.
- Do the results support the conclusions?
Yes: All the conclusions are supported by the data (even if analysis was inappropriate). Conclusions are based on all results relevant to the study question, negative as well as positive ones (e.g., they aren’t based on the sole significant finding while ignoring the negative results). Part of the conclusions may expand beyond the results, if made in addition to rather than instead of those strictly supported by data, and if including indicators of their interpretative nature (e.g., “suggesting,” “possibly”). Partial: Some of the major conclusions are supported by the data, some are not. Or speculative interpretations are not indicated as such. Or low (or unreported) response rates call into question the validity of generalizing the results to the target population of interest (i.e., the population defined by the sampling frame/strategy). No: None or a very small minority of the major conclusions are supported by the data. Or negative findings clearly due to low power are reported as definitive evidence against the alternate hypothesis. Or conclusions are missing. Or extremely low response rates invalidate generalizing the results to the target population of interest (i.e., the population defined by the sampling frame/ strategy). N/A: Should not be checked for this question. Summary score Total sum = (number of “yes” * 2) + (number of “partials” * 1) Total possible sum = 28 – (number of “N/A” * 2) Summary score: total sum / total possible sum
6a Extractie tabel, reviews
Author Year Meta (Yes/No) Systematic Methods
of
papers Aim Anxiety specific Results AMSTAR assessment (Yes/No) clear (Yes/no) (Y/N) 1 Abma 2012 No Yes Yes 5 The objective of this study is to appraise critically and compare the measurement properties of selfreported healthrelated workfunctioning instruments among workers with CMD. No Five different self-reported health-related work functioning instruments are included: (i) the Endicott Work Productivity Scale (EWPS) , (ii) the Work Limitations Questionnaire (WLQ) , (iii) the Stanford Presenteeism Scale (SPS) , (iv) the Work Performance Scale of the Functional Status Questionnaire (WPS) , and (v) the Lam Employment Absence and Productivity Scale (LEAPS) . The aim of all the instruments is to measure the degree to which health problems affect an individuals’ work functioning. The EWPS and WLQ were developed for populations with a wide variety of both health conditions and jobs. The WPS and SPS were developed for working populations and the LEAPS was specially designed for a depressed (working) population. The WPS, SPS, and LEAPS are short questionnaires (between 6 and 7 items on work functioning) compared to the EWPS and WLQ (both 25 items).The available evidence on measurement properties is based on studies of poor-to-fair methodological quality. Information on a number of measurement properties, such as measurement error, content validity, and cross-cultural validity is still lacking. Therefore, no evidence-based decisions and recommendations can be made for the use of health-related work functioning instruments. Studies of high methodological quality are needed to properly assess the existing instruments’ measurement properties. Low quality review 2 Bannai 2014 No Yes Yes 17 The purpose of this paper was to clarify the epidemiological evidence regarding the association between long working hours and health from previous studies by excluding differences in the definition of long working hours and the detrimental effect of shift work. No Long working hours is associated with depressive state, anxiety, sleep condition, and CHD. Researchers were able to exclude differences in the definition of long working hours and the influence of shift work. Since both factors may influence the association between long working hours and health, further studies are necessary that deal with them appropriately Moderate quality review Bhui 2012 Yes No Yes 10 What is the effect of the stress managing interventions No cognitive-behavioural programmes produced larger effects at the individual level compared with other interventions. Some interventions appeared to lead to deterioration in mental health and absenteeism outcomes. Gaps in the literature include studies of organisational outcomes like absenteeism, the influence of specific occupations and size of organisations, and studies of the comparative effectiveness of primary, secondary and tertiary prevention. CONCLUSIONS: Individual interventions (like CBT) improve individuals' mental health. Physical activity as an organisational intervention reduces absenteeism. Research needs to target gaps in the evidence Moderate quality review 4 Corbière 2009 No Yes Yes 24
- Conduct a
systematic review of the most recent literature, 2) describe the preventive psychological interventions for workers, 3) summarize the significant workand health-related outcomes associated with these interventions, and 4) identify where the significant gaps still exist. No Eight studies were identified as primary interventions, 14 were identified as secondary interventions, and 2 included both. There was a predominance of studies utilizing skills training. One-third of studies used a combination of individual, group and organization level interventions, most often supported by psychosocial intervention or participatory research. These components brought positive and significant results with regard to work and mental health outcomes to workers Moderate quality review 5 Cornelius 2011 No Yes Yes 7 What factors can link to long-term disability due to mental health disorders No Out of 796 studies, we included seven articles, all of high methodological quality describing a range of prognostic factors, according to the ICF-model categorized as health-related, personal and external factors. We found strong evidence that older age (>50 years) is associated with continuing disability and longer time to RTW. There is limited evidence for the association of other personal factors (gender, education, history of previous sickness absence, negative recovery expectation, socio-economic status), health related (stress-related and shoulder/back pain, depression/anxiety disorder) and external i.e., job-related factors (unemployment, quality and continuity of occupational care, supervisor behavior) with disability and RTW. We found limited evidence for the association of personal/external factors (education, sole breadwinner, partial/full RTW, changing work tasks) with symptom recovery Moderate quality review Hergenra ther 2015 No Yes Yes 48 To explore employment as a social determinant of health through examining the relationship between employment status and mental health. No Five common trajectories were identified as employment, unemployment, job loss, reemployment, and retired. Employment and reemployment were associated with better mental health (e.g., lower psychological distress, lower depression, lower anxiety), whereas unemployment and job loss were correlated with poorer mental health (e.g., higher depression, higher psychological distress). Moderate quality review 7 Joyce 2015 Yes No Yes 20 The present study aimed to carry out a systematic metareview examining the effectiveness of workplace mental health interventions, defined as any intervention that a workplace may either initiate or facilitate that aims to prevent, treat or rehabilitate a worker with a diagnosis of depression, anxiety or both. No Moderate evidence was identified for two primary prevention interventions; enhancing employee control and promoting physical activity. Stronger evidence was found for CBT-based stress management although less evidence was found for other secondary prevention interventions, such as counselling. Strong evidence was also found against the routine use of debriefing following trauma. Tertiary interventions with a specific focus on work, such as exposure therapy and CBT-based and problemfocused return-to-work programmes, had a strong evidence base for improving symptomology and a moderate evidence base for improving occupational outcomes. Overall, these findings demonstrate there are empirically supported interventions that workplaces can utilize to aid in the prevention of common mental illness as well as facilitating the recovery of employees diagnosed with depression and/or anxiety. Moderate quality review 8 Krupa 2007 No No Yes 7 To review employment interventions for individuals who experience mental illness. No Physicians who are knowledgeable about the nature and scope of employment interventions for individuals with mental illness are in a good position to effect positive change in the work lives of the individuals they serve. Critially Low quality review 9 Mackenzi e 2014 No No Yes 5 To determine whether internet-delivered cognitive behaviour therapy (iCBT) for depression and anxiety reduces selfreported absenteeism in employed individuals No We included 284 participants in our analysis. When data for the three disorders were combined, participants who received iCBT had significant reductions in self-reported absenteeism compared with those in the control groups (who were on a waitlist) (P = 0.03). When data for the three disorders were analysed separately, reductions in self-reported absenteeism for participants who received iCBT were not significantly different to those for participants in the control groups. Moderate quality review Maimaris 2011 No Yes Yes 10 Does working longer than retirement age has negative effects on anxiety (among others) No Working beyond retirement age can be beneficial for people Moderate quality review 11 Naidu 2016 No Yes Yes 6 To establish the optimum method of delivering CBT to workers with common mental health problems. No We found six studies comparing methods of delivery of CBT for anxiety disorders but found no trials which compared methods of delivery for mild-to-moderate depression. All delivery methods led to an improvement in anxiety symptoms. Internet-delivered CBT with some input from a therapist was found to be as clinically effective as face-to-face CBT and more cost-effective. CONCLUSIONS: Internet CBT should be made available in workplaces for workers with anxiety disorders as part of a stepped care plan. Moderate quality review Nicolle- Mir 2014 No No Yes 19 Is working long hours related to anxiety No There is a significant association between working long hours and anxiety Not a review (French summa ry of Bannai et al) Nieuwen huijsen 2010 No Yes Yes Two systematic literature studies; the first to identify articles that measured work functioning in workers with CMDs, and the second to identify work functioning measurement instruments. No Work functioning is mostly studied in relation to clinical factors. Instruments with acceptable psychometric properties exist for measuring productivity and work role limitations. Conclusions: Further exploration of work-related determinants of work functioning is needed to develop more work-focused interventions. Existing instruments have to be tested in workers with CMDs. New work functioning instruments are needed to integrate the quality of work output and the effort required to remain productive. Moderate quality review 14 Razzouk 2014 No No Yes 5 To identify the evidence-based interventions available to prevent and to treat anxiety and depression at the workplace and to explore in what extent these interventions have impact on reducing the socio economic effects of mental disorders. No Five main interventions were identified: workplace screening for anxiety and depression disorders and care management: interventions are usually delivered throughout cognitive behavioral therapy (CBT), offered by external psychological service providers; CBT through web-based program: it is offered a web-based program to selected employees. Benefits come out of tackling the disorder and increasing productivity levels due to the reduction of presenteeism; interventions promoting well-being in the workplace: it includes flexible time schedules, career growth opportunities and mental health risk factors recognition training program for managers; financial education: workshop for selected employees to advise them on how to better manage their debts, reducing financial burden and consequently, reducing mental Abstract only health problems; antidepressant drugs for anxiety and depression: these medicines have a positive impact on the work performance and on the decrease of absenteeism rate. Sanderso n 2006 No No Yes ? To review the recent descriptive and social epidemiology of common mental disorders in the workplace, including prevalence, participation, work disability, and impact of quality of work, as well as to discuss the implications for identifying targets for preventive interventions. No Depression and simple phobia were found to be the most prevalent disorders in the working population. The limited data on rates of participation suggested higher participation among people with depression, simple phobia, social phobia, and generalized anxiety disorder. Depression and anxiety were more consistently associated with "presenteeism" (that is, lost productivity while at work) than with absenteeism, whether this was measured by cutback days or by direct questionnaires. Seven longitudinal studies, with an average sample size of 6264, showed a strong association between aspects of low job quality and incident depression and anxiety. There was some evidence that atypical work was associated with poorer mental health, although the findings for fixed-term work were mixed. Moderate quality 16 Wagner 2016 No Yes Yes 14 To determine the level of evidence supporting mental health interventions as valuable to work outcomes. No There is moderate evidence for the effectiveness of workplace mental health interventions on improved workplace outcomes. Certain types of programs, such as those incorporating both mental and physical health interventions, multicomponent mental health and/or psychosocial interventions, and exposure in vivo containing interventions for particular anxiety disorders had a greater level of research evidence to support their effectiveness. Moderate quality 17 White 2013 No Yes Yes 27 To identify modifiable workplace disability risk and protective factors across common health conditions impacting work-related absence. No Modifiable work factors found to have consistent evidence across two or more health conditions included lack of social support, increased physical demands at work, job strain, lack of supervisory support, increased psychological demands, low job satisfaction, low worker control of job, and poor leadership quality. Conclusions: The active engagement of stakeholders led to greater understanding of relevance of the study findings for community stakeholders and appreciation of the mutual benefits of collaboration. Moderate quality
6b Eerste deel extractie tabel, kwantitatieve studies
First author Year Country Aim/Goal Type of anxiety Variables assessed Outcome tested Findings The aim of this study was to identify symptoms associated with subjective Association between perceived/subjective memory failures and symptoms of chronic Subjective memory complaints should be recognized as part of the complex symptomatology among patients who report Memory complaints, Chronic pain, Depression memory complaints (SMCs) among multiple symptoms, especially in cases of fatigue and anxiety. Self-report questionnaires measuring perceived memory failures may be a 1 Aasvik 2015 Norway subjects who are currently on sick leave due to symptoms of chronic pain, fatigue, depression, anxiety, and Not specified and Anxiety, Fatigue, Insomnia pain, fatigue, depression, anxiety, quick and easy way to incorporate and extend insomnia. insomnia. this knowledge into clinical practice. Physical illness, sociodemographic factors and Occupational We investigated the association between common mental disorders Comorbid mental disorders pose a high risk for at baseline and register-based disability pensions during the sevengrade (manual, nondisability pension. Depressive or anxiety disorders alone were related to subsequent disability pension but these associations failed manual), type of year follow-up. The diagnoses for depressive, anxiety, and alcohol use disorders at baseline were obtained employment (permanent, timelimited, self-employed), Relation between anxiety and risk of to reach significance after adjustment for Ahola 2011 Finland by the standardized Composite International Diagnostic Interview Anxiety all DSM confounding factors. Other independent predictors of work disability include socio approximate weekly working hours (below disability pension (CIDI). In addition, we examined demographic, clinical, work-related, and treatment factors, but not health behavior. More attention should be paid to work-related whether baseline clinical, sociodemographic, work-related, health behaviour, and treatment factors were related to the disability 35, 35–40, over 40), physical strain, job strain, team-climate, and job insecurity were factors in order to prevent chronic work disability. assessed through the pension. questionnaire. To profile the clinical symptoms, selfreported absenteeism and presenteeism and treatment response of workers with MH symptoms at the point of accessing Patients in the work group were significantly more likely than patients in the non-work group Panic (18.4%), Other Anxiety (25.4%) in work Absenteeism and presenteeism (WHO Bailey 2015 Canada clinical symptoms to meet PHQ clinical thresholds for panic and other Anxiety (25.4% and 18.8%, p < 0.01, d = MH care and compare the characteristics of patients referred with or without problems related to DAS 2) group 0.16). work. 78 PRIME-MD is one of the few instruments in PC that actually diagnoses specific mental disorders The primary care evaluation of mental disorders (PRIME-MD) can be seen as characteristic for successive refinements of criteria and structured according to the DSM criteria. However, there was a failure to adequately classify subthreshold disorders. Mental disorders, as seen in primary care, encompass important specific interview techniques for diagnosing psychiatric disorders in primary care. Various psychiatric Bakker 2009 Netherdisorders (mood, anxiety, alcohol, eating, Test–retest reliability lands It is one of the most widely used instruments, but there is no evidence Not specified of the PRIME-MD symptoms and clinical syndromes that vary in duration and severity over time, but they also somatoform) to support its test–retest reliability. The present study was conducted to encompass an admixture of somatic and psychological symptoms that do not match current diagnostic systems. This most likely resulted in methodological uncertainty about determine the test–retest reliability of the PRIME-MD. the level of agreement. Influence of intervention on duration of sick leave until lasting full return to work, levels of self- The aim of this study was to assess the effectiveness of our Minimal Intervention for Stress-related mental Number of sick days, self-reported symptoms Bakker 2007 Nether- General anxiety We found no evidence that the MISS is more lands disorders with Sick leave (MISS) in primary care, which is intended to symptoms of distress, depression, effective than UC in our study sample of anxiety, and somatisation reported distress, depression, anxiety, distressed patients. reduce sick leave and prevent chronicity of symptoms. and somatisation The length of a GAD episode is most detrimental aspect of GAD for labor market outcomes, followed by symptoms relating to difficulty To identify the mechanisms, or most important symptoms, through which Latent variables for psychiatric disorders including panic attack, social phobia and GAD Labor market outcomes (labor force participation, number controlling worry and symptoms of worry/anxiety/nervousness causing significant emotional distress for both men and women. As Panic attack, social phobia, Banerjee 2014 USA psychiatric disorders (depressive episode, panic attack, social phobia, and GAD and generalized anxiety disorder) (based on DSM IV) of work absences) we did not find significant adverse impact of either panic attack or social phobia on any work affect labor market outcomes. outcome, we shall not discuss the results for indicators of these disorders. The objectives of the study were to Both PTSD and MDD, either in isolation or in comorbidity, can develop in victims of armed robbery. comorbid PTSD–MDD is as frequent as assess the occurrence of Posttraumatic Stress Disorder (PTSD) and Major Depressive disorder (MDD) PTSD, MDD, days of sick Development of PTSD/ leave, Days of robbery- Posttraumatic stress disorder related absenteeism, MDD, occupational functioning and use of or even more frequent than either disorder in isolation. The number of days of absenteeism Belleville 2012 Canada days of other absenteeism, medical in victims of armed robbery, and to (PTSD) health care in victims related to the robbery and the number of medical visits was greater among individuals evaluate occupational functioning visits of armed robbery and use of health care services. with PTSD (regardless of the presence of comorbid MDD). Clinicians and management resources personnel must be alert to the possibility that both PTSD and MDD, either alone or comorbid, can develop in victims of armed robbery. Whether: 1) Intervention group would reduce stress Knowledge, Attitude Towards Psychological and become more productive at work as Relative to controls, the web-based group reduced their stress, increased their knowledge Help, Mood Management Selfcompared to the control group. 2) Intervention group would increase their of depression and anxiety, developed more To evaluate the effectiveness of a Efficacy, Mood Management Self- Efficacy, Stress, Mood, positive attitudes toward treatment, and adopted a more healthy approach to alcohol web-based multimedia health promotion program for the workplace, designed to help reduce consumption. Therefore, a brief and easily Billings 2008 US Not specified adaptable web-based stress management program can simultaneously reduce worker stress and to prevent depression, Depression, Anxiety, Negative coping, Binge drinking stage of change, knowledge about anxiety, and substance abuse. anxiety and depression, develop skills to manage their stress and address stigmatized behavioral health problems by embedding this prevention Work productivity, Program usage, Program material into a more positive stress mood, improve their management framework. evaluation treatment seeking attitudes for anxiety or depression We investigated the effectiveness of Effectiveness of CBT Significant effects on partial and full return were cognitive behavioural therapy (CBT) and a combined intervention on the duration of sick leave found in favour of the combined intervention. and a combined intervention of workplace- and individual-focused Scales for psychological For full return to work, the difference was complaints, Return to approximately 200 days. A decrease in psychological complaints was present in each Blonk 2006 Nethertechniques among self-employed people on sick leave owing to work- Not specified work, Working conditions, Social until partial and full lands RTW and on psychological complaints (e.g. anxiety, depression) condition but we found no significant interaction effects. The results suggest that work resumption should be addressed earlier in related psychological complaints (such as anxiety, depression, and support burnout). individuals receiving CBT. The objective of this study was to Effectiveness of WHS The WHS module effectively enhanced positive examine the effectiveness of a workers' health surveillance (WHS) module that offers screening, tailored module on the wellmental health, and in particular psychological well-being, in comparison to a waitlisted control being, work engagement and mental health of nurses and allied health professionals, Positive mental health, Bolier 2014 Netherfeedback and online interventions targeting positive mental health and Not specified Work engagement, Well-being, Depression group. For work engagement a small positive lands effect was found. No significant differences between groups were found for depression or and Anxiety symptoms mental health complaints. WHS is a anxiety. The effect should be considered with strategy at the workplace to implement preventive action by compared to a waitlisted control caution as there was a large attrition rate. identifying and treating health group complaints. To assess the explanatory power of disease severity and health- related Panic disorder with or without Bouwma ns, 2014 Netherquality of life (HRQOL) on absenteeism and presenteeism in a work- ing population suffering from depression and/or anxiety disorders. HRQoL, short term and Productivity loss (absenteeism and Anxiety disease severity was significantly associated with the type of productivity loss (χ2 lands agoraphobia, social phobia, long-term absence presenteeism) = 17.4; P = 0.008). GAD A 3-item screening instrument called the Distress Screener was developed for early identification of distress among employees on sick leave. The Assessing an optimal The Distress Screener is a valid instrument for use by the occupational physicians (OP) during Distress Screener consists of three cut-off point and validating the Distress Screener by relating it consulting time as a quick scan for early identification of distress in employees on sick Braam 2009 Netheritems obtained from the distress subscale of the four-dimensional symptom questionnaire (4DSQ). This Not specified Distress, Depression, Anxiety, Somatisation lands leave. The cut-off point ≥4 is useful for early identification of distress in employees on sick to the 4DSQ and to medical diagnoses. study assessed an optimal cut- off leave. point and validated the Distress Screener by relating it to the 4DSQ and to medical diagnoses. Sick leave duration, mental health and The purpose of this study was to physical health (questionnaires included the Hospital Anxiety and Effect of intervention on sick leave duration evaluate the effectiveness of an activating intervention designed to reduce sick leave duration in patients Although the intervention has benefits, it was not successful at its primary goal (i.e., to reduce Brouwers 2007 Nether- Anxiety by Depression Scale, the in patients with emotional distress or lands DSM4 Four-Dimensional Symptom Questionnaire and SF-36), all measured sick leave duration in patients with emotional with emotional distress or minor minor mental distress or minor mental disorders). mental disorders. disorders at baseline at and 3, 6 and 18 months later Both physical and mental disorders are related to work-loss both separately and as comorbid disorders; and iii) the increase in work-loss days Buist- Bouwma To examine the association between physical and mental disorders and the Effect of co-morbid 2005 Nether- Not specified Work-loss days, mental mental health problem (incl. anxiety) due to PM comorbidity is roughly the sum of work-loss days associated with these mental and physical disorders, except for hypertension n lands separate and joint effect of physical health status and mental disorders on work-loss. on work-loss days and chronic back trouble for which we found synergistic effects. Work status, inability to work for health reasons (among respondents who worked fewer than 40 hr per week), selfreported disability status, working days missed in the past 30 Respondents with past-year PD reported a greater number of working days missed in the The purpose of this study is to add to past 30 days and working days missed due to physical/mental health or substance abuse in the accumulating evidence of significant comorbidity and disability Effects of presence of Bystritsky 2010 USA Panic disorder days (among respondents who work PD on work-related the past 30 days. There was also a trend for individuals who had a panic attack in a nonlifethreatening situation to miss a greater number associated with subthreshold PD. variables for pay), and working days missed due to physical/mental health of working days in the past 30 days (P=.052). or substance abuse in the past 30 days (among respondents who work for pay). The results showed good internal consistency as Suspected mood, anxiety Validity of the questionnaire as well as good convergent and divergent validity. The SQ-48 is meant to be available in the public domain for Routine Outcome Monitoring(ROM) and can be used as a screening/monitoring tool We aimed to develop and validate a Carlier 2012 Netherpsychological distress instrument, and soma- Internal validity and consistency of the tool instrument for lands including measures of vitality and tophorm disorders assessment of psychological distress work functioning in clinical settings, as a benchmark tool, or for research purposes. All subjects had significant job stress and absenteeism was found among 42% of the subjects. Absentees complained more about fatigue and poor interpersonal relationship with Socio-demographic variables, clinical variables (presenting complaints, problem in colleague than non-absentees. Many jobstressed employees were reluctant to go to workplace to avoid dealing with fear, anger, or Association between To find an association between job stress and absenteeism in relation to workplace, alcohol abuse/dependency, past job stress and absenteeism in relation to sociodemographic and Chakrabo rty 2013 India Not specified socio-demographic and clinical history of psychiatric illness, family history of other stresses associated with a co-worker. Stress occurred with colleagues and in superiorprofile. clinical profile subordinate relationships. Co-morbid anxiety/depression was found in two-third of the employees in the absenteeism group and psychiatric illness, physical comorbidity attributed to stress) one-third of non-absentees. The presence of anxiety/depression is a significant predictor of absenteeism (P = 0.02) in our study, which is in concurrence with other studies. Serious mental disorders were found to be substantially underdiagnosed and under-treated Assess: 1) Levels of ICD-10/DSM-IV among disability claimants. To optimize diagnosis and treatment of disabling mental disorder, medical professionals in insurance, PTSD, panic agreement; 2) Prevalence of recent The aim of this study was to examine disorder, generalized under-recognition, under-treatment and severity of under-treated mental ICD-10 classified disorders, DSM-IV classified disorders, DSM-IV mood and anxiety disorders in disability claimants; 3) occupational and in the health care sector should closely collaborate. For claimants with Cornelius 2014 Netheranxiety disorder, agoraphobia, social phobia, lands disorders classified according to the Under-recognition, under-treated mental disorders, tailor-made multidisciplinary interventions are needed to DSM-IV among disability benefit claimants after two years of sickness Under-treatment, Treatment and Severity severity of undertreated DSM-IV promote return to work and to prevent permanent disability. These interventions should involve professionals in mental health care, occupational and revalidation medicine, and should be aimed at improvement of mental absence. OCD, other anxiety disorder mood and anxiety disorders among disability claimants health, functioning and return-to-work.
- Associations
between job insecurity and job demands among those Difficult working conditions may reduce productivity by contributing to longer absences with no, short, or long-term sickness Sickness absence, Work from work: High job insecurity and high work We investigate one aspect of productivity – sickness absence – and demands, Job control, Job insecurity, Physical absence; 2) The effects of high job demands were significantly associated with long-term, but not with short-term, sickness absence. These associations were unaffected by ask whether job insecurity and high and mental health problems, Demographic control on the associations between high demands and job work demands are associated with increased sickness absence and, if so, D'Souza 2006 Australia Not specified job control. Also, mental health is the main whether mental or physical health mediates this association. We further factors, Employment mechanism explaining the relationships between adverse work conditions and longterm sickness absence: Depression and anxiety explained 61% of the association between high work demands and long-term sickness absence characteristics, Life event, Occupations, Sensitivity to negative insecurity, and sickness absence; 3) investigate if having control at work modifies these associations. The effects of mental/physical health problems on stimuli, and 30% of the association between job insecurity and long-term sickness absence. the relationship between work conditions and sickness We tested lagged mediational effects Job control, social support, workload, emotional dissonance, SCDs mediate the longitudinal relations of workload to emotional exhaustion In two different samples, analyses of crosslagged panel SEM indeed revealed that SCDs Diestel 2012 Germany of self-control demands (SCDs) on Not specified emotional exhaustion, depersonalization, anxiety, and sum exert mediator effects in the longitudinal relationship between workload and exhaustion, self-control demands, of days absent. anxiety, absenteeism (Hypothesis 1a), depersonalization (Hypothesis 1b), anxiety (Hypothesis 1c), and absenteeism (Hypothesis 1d) anxiety, and sum of days absent after partialling biographical influences, outcome stability, and relevant job characteristics (emotional dissonance, social support, and job control). Sickness absence due to To assess the effectiveness of a preventive coaching intervention on sickness absence due to psychosocial psychosocial health complaints; secondary outcome measures are related to general well- Effect of coaching This study shows that the coaching intervention Duijts 2008 Nether- Anxious mood intervention on amount of sick days and general well-being primarily has an effect on general well-being of lands health complaints and on general employees. well-being of employees being, such as psychological distress, fatigue, and coping. Based on complete register data, we (1) compared weeks on sicknessrelated benefits (SB) in untreated patients with severe HA (n = 126) with a matched population sample (n Patients with severe HA had significantly more weeks on SB than matched individuals from the Sickness-related general population during the five-year period prior to entering the RCT. Secondly, we tested Eilenberg 2015 Denmark = 12,600); and (2) tested whether Acceptance & Commitment group Hypochondria ACT-G psychotherapy benefits; unemployment program the effect of ACT-G on SB during the first year Therapy (ACT-G) (n = 63) reduced benefits after randomisation and did not find a significant difference between ACT-G and the weeks on SB during the first year after randomisation compared to a waitlist group. waitlist (n = 63). On a population level, mood and anxiety disorders and substance dependence were associated both with not working during the This study examined associations Occupational status and between mood disorders, anxiety disorders, substance dependence or harmful alcohol use, and occupational status and disability disability assessment Occupational status of El- Guebaly 2007 Canada Anxiety by (occupational dysfunction) and people with mental week preceding the interview as well as an increase in reported disability or bed days. The DSM4 health diagnosis in a general population sample. diagnosis strength of association appears to be stronger for mood and anxiety disorders This study examined self-reported work-productivity in adult patients with anxiety disorders. Goal one was Level of work performance was generally associated with severity of anxiety. Patients with greater anxiety generally showed lower OCD, Panic w/agor, Social to examine the impact of anxiety severity on work-related outcomes. phobia, GAD, Associations between Anxiety DO NOS, Specific phobia,Hypoch ondriasis, Body Work measures, Anxiety anxiety and workrelated outcomes, both pretreatment links and the impact of work performance on all instruments. Job Goal two was to examine psychometric properties (sensitivity, internal reliability, construct validity) severity and clinical advancement was impaired for the moderate/severe group. Anxiety severity groups Erickson 2009 US change measures, Health-related quality of did not differ in job type, time on job, job satisfaction, or job choice. The multi-item of four validated instruments and to assess their relative suitability for use dysmorphic dis,Trichotillom ania, Panic w/o life, Role-functioning. anxiety change over 12 weeks of treatment performance scales (WLQ and WPAI) demonstrated better validity and internal consistency. The WLQ and the WPAI detected in this population with the goal of improving measurement of workon work outcomes. related quality of life in this agor, MDD change with symptom improvement. population. Among subjects with comorbid mood and anxiety disorders 75.0% reported interference with their work compared with only 13.3% of subjects without mood or anxiety disorders. Mood and anxiety disorders were associated Esposito 2007 Canada Describe impact of mood and anxiety Agoraphobia, social phobia, Symptoms of mood and disorders on presenteeism anxiety disorders Presenteeism with lower presenteeism ratings. Regression GAD analysis uncovered a significant gender by anxiety disorder interaction, indicating that the effect of anxiety disorders was greater in men than women. Associations are examined between socio-demographic, medical, workrelated and organizational factors and anxiety disorder, history Anxiety disorder associated with first RTW after of sick leave for mental disorder, reason for sick First RTW within/after 6 weeks When comparing the durations of 14– Flach 2011 Netherthe moment of first return to work (RTW) (within or after 6 weeks of sick leave) and total sick leave duration in Not specified 6 weeks; duration of 52 weeks with >52 weeks, the medical diagnoses of anxiety disorder were associated lands leave, type of work, hours at work/week, sick leave until full RTW with a longer sick leave duration. sick leave spells due to common gender, age mental disorders. Women had a higher risk of LSP than men. Low education and poor support from superior and mental distress were found to be determinants of LSP. The effect of support from superior was Assess: 1) the impact of SEP, working conditions, and mental health on long- Sickness-absence, SEP, To identify individual and workrelated predictors of long-term (>8 Occupational factors, Mental distress, Selfreported general health, mediated through mental distress and not the other way around. Self-reported mental distress term (>8 weeks) sickness absence with Foss 2010 Norway weeks) sickness absence with psychiatric diagnoses (LSP). This study Not specified had a strong independent effect. Therefore, work environment can make people mentally Work-related health, psychiatric diagnoses aimed at increasing understanding of Lifestyle, Education, (LSP). 2) the interrelationships distressed rather than that poor mental health leads to selection into jobs with poor the underlying causes of LSP. Gender work environment. Improving working conditions, such as social support, may be an important step toward reducing the burden of between these factors. sickness absence due to mental conditions. To investigate whether the mental module for WHS for nurses and allied health care professionals stimulates help-seeking behaviour and improves In the WHS OP-care group, 151 workers (79%) were classified as having work functioning impairments, mental health complaints, or both work functioning and mental health. Depression, anxiety, PTSD symptoms, helpseeking behavior (seeing Gartner 2013 Nether- The module includes on-line screening and an invitation for a face- Anxiety and panic, PTSD Impaired work compared with 161 (86%) in the control group. lands functioning The hypothesized larger decrease of work functioning impairments in the WHS OP-care a occupational to-face preventive consultation with caregiver) group was confirmed. The hypothesis of a reduction in mental health com-plaints in the an occupational physician for participants with impaired work WHS OP-care group could not be confirmed. functioning, mental health complaints, or both. To investigate the incidence of longterm sickness absence (LTSA) with different psychiatric diagnoses, and tested predictors of the transition to permanent disability pension (DP). A Previous research has found that increasing age and low income are general predictors of the transition from LTSA to DP. In the present study, Transition from sickness absence to Gjesdal 2008 Norway Not specified Age, gender, income the effect of increasing age was weaker than expected for men. Low income increased the special objective was to explore disability pension previously reported gender differences, using a population-based risk of DP but not linearly. cohort study. The study sought to determine Assessed symptom severity (HAD scores) and outcome over one Combining detection with organized provision whether an organized health promotion intervention during medical consultations improves the outcome for patients who meet the ICD10 anxiety and depressive Effect of intervention of information including printed material improves patients’ outcome and physicians’ Godard 2006 France on reduction of disorders symptoms diagnostic abilities year, mini interview 86 ICD10 criteria for anxiety or results depressive disorders Found that a history of anxiety and/or depressive disorders, and current anxiety disorders, depressive disorders and comorbid This longitudinal study aims to compare long-term work disability and absenteeism between anxiety and depressive disorders focusing on anxiety–depressive disorder were associated with work disability and absenteeism and that these effects remained over a period of 4 years, Work disability (i.e. difficulties in day-to- Social anxiety disorder, panic disorder with or Psychiatric course trajectory (i.e. presence day work, most important work tasks when compared to healthy controls. Long-term Hendriks 2015 Netherthe effects of different course trajectories (remission, recurrence of anxiety over time; well, getting all the work disability and absenteeism were most prominent in subjects with comorbid anxiety– lands without agoraphobia, anxiety arousal (symptoms of anxiety) work done, and in getting work done quickly as needed.) and chronic course) and specific depressive disorders, followed by depressive symptom dimensions (anxiety arousal, avoidance behaviour and GAD disorders and lowest in anxiety disorders. Results showed differences between psychiatric depressive mood). Work absenteeism course trajectories; long-term work disability and absenteeism were more prominent in subjects with a chronic course compared to subjects with remission or recurrence In a large cross-sectional study, this Health and Work article investigates associations Psychological Performance Questionnaire and mental health status, employee productivity Difference in work Treatment of mental disorders resulting in normalization of symptoms is associated with between employee work productivity, psychological distress, distress and mental health productivity for people with/without Hilton 2009 Australia employees’ productivity returning to values and the treatment of mental problems common mental health problems approaching those of employees without a disorders. and presentiism history of a mental disorder The hypothesized relationship between work engagement (vigour and dedication) and anxiety was partly supported. As hypothesized, vigour at T1 was negatively associated with anxiety at Examined the dynamic relationship between work engagement (vigour T2. Therefore, high level of vigour at T1 was associated with low levels of anxiety 2 years later. In contrast to what was hypothesized, dedication at T1 was positively associated with Vigour and dedication Symptoms of anxiety Innstrand 2012 Norway Not specified levels (i.e. work and dedication) and symptoms of engagement) and depression anxiety and depression. symptoms of anxiety 2 years later. Thus, being highly dedicated to work may produce more symptoms of anxiety and not less, as hypothesized. Relationship between Sickness absence, Past sickness absence and Past traumatic events are related to sickness absence. People who experienced traumatic events had more anxiety symptoms regardless of the period of time that had elapsed from the This study explores the relationship between sickness absence and past traumatic experience with regard to the amount of time lapsed after the traumatic experience, past traumatic experience with regard to the amount Impact of Event, Depressive symptoms, Anxiety symptoms, Job Content (job stress, job Izutsu 2008 Japan Not specified of time elapsed since time of the event. Traumatic events may experience, job strain and other the experience, job influence sickness absence through the exacerbation of these problems associated with mental health states such as demands, job control strain and other mental health states depression and anxiety. support levels of coworkers/supervisors) depression, anxiety and job strain. such as depression and anxiety. To address whether psychoanalysis is Depressive and Anxiety more effective than less intensive psychotherapies in the treatment of symptoms, Remission Psychotherapy gives faster benefits than from depressive symptoms, Recovery Effectiveness of shortpsychoanalysis, but in the long run psychoanalysis seems to be more effective. A term and long-term patients suffering from mood or anxiety disorder we conducted a from psychiatric diagnosis on axis I, Work psychotherapies reduction in psychiatric symptoms and improvement in work ability and functional capacity was noted in all treatment groups. The compared to psychoanalysis on Knekt 2011 Finland quasi-experimental clinical trial Not specified ability, Functional comparing the effectiveness of psychoanalysis with one long-term psychotherapy and two short-term therapies on psychiatric symptoms, work ability and functional capacity capacity, Global depressive and anxiety symptoms, short-term therapies were more effective than Assessment of Functioning , Remission psychoanalysis during the first year, whereas the long-term therapy was more effective after work ability and functional capacity from work disability, 3 years of follow-up. Psychoanalysis was most during a 5-year follow-up. Realization of work effective at the 5-year follow-up. capacity Work Ability Index The present study compares improvements in work ability in two Anxiety or mood disorder (WAI), the Worksubscale (SAS-Work) of Short-term therapies give benefits more quickly Effect of different than long-term therapy on work ability but in the long run long-term therapy is more effective Knekt 2008 Finland short-term therapies and one longaccording to the Social Adjustment therapies on term therapy DSM 4 Scale, Perceived functioning than short-term therapies. More research is Psychological Functioning Scale needed to confirm these findings. To examine and compare the prospective effect of the common mental disorders (CMD) anxiety and Common mental disorders and sickness absence (duration and Association between anxiety and frequency Common mental disorders are long-lasting predictors of onset, duration and recurrence of Knudsen 2013 Norway depression on duration and recurrence of sickness absence (SA), and to investigate whether the effect of CMD on SA is detectable over time. General anxiety and duration of sickness absence SA. Anxiety appears to be a more important contributor to long-term SA than previously frequency) described in the literature. 88 Through focusing more and earlier on workrelated aspects and RTW, functional recovery in The Effectiveness of work can be substantially speeded up within a regular psychotherapeutic setting. Both full and The aim of this study was to compare Work-focused cognitive– behavioral the effectiveness of two individuallevel psychotherapy interventions: (a) Duration until Return to partial RTW occurred significantly earlier in the work, Mental health therapy (W-CBT) compared to regular psychotherapy (CBT) W-CBT group (65 resp 12 days earlier). A significant decrease in mental health problems Lagerveld 2012 Nethertreatment as usual consisting of cognitive– behavioural therapy (CBT) Not specified problems (Stress, Depression and Anxiety, lands was equally present in both intervention groups. These results were achieved without and (b) work-focused CBT (W-CBT) Emotional exhaustion) on RTW, improving that integrated work aspects early Costs to employer. mental health, reducing employer negative side effects on psychological into the treatment. complaints over the course of 1 year. Integrating work-related aspects into CBT is, therefore, a fruitful approach with benefits for costs employees and employers alike. Poor mental health was higher in working females than in males and decreased with increasing age. It was prevalent at some level Poor mental health, Socio-demographic factors (gender, age, across the full range of worker sociodemographics as well as work settings. There was a higher prevalence of poor mental health The objective of this study was to identify socio-demographic and work education, marital status, occupational skill Assess the probability of poor mental health setting correlates of poor mental health to consider alongside other among younger adults, separated/divorced/single adults and people Lamonta gne 2012 Australia Not specified level), Employment factors (workplace size in relation to socioevidence in priority setting for workplace mental health promotion demographic and employment factors. working long hours. There was also a high and type, industrial sector, employment arrangement, working prevalence of poor mental health among (MHP). workers in non-traditional gender roles. However, long working hours was the only measured employment factor that remained significantly associated with poor mental health after adjustment for socio-demographic factors. hours) The 4DSQ performed well in the sample of individuals presenting for a work disability assessment due to psychological/psychiatric This study aimed to evaluate the criterion validity and the diagnostic Assess to what extent Depressive and anxiety the 4DSQ scales are able to detect specific complaints. It showed good internal consistency, acceptable to good diagnostic values of the 4DSQ scales and good diagnostic Langerak a 2012 Netheraccuracy of the Four-Dimensional disorders, Internal consistency, Criterion lands Symptom Questionnaire (4DSQ) Not specified clinical diagnoses (depressive/ anxiety regarding the identification of depressive and anxiety disorders in validity, Diagnostic accuracy in detecting depressive and anxiety disorders. However, the feasibility of the 4DSQ accuracy an insurance medicine setting. disorders) as a screening measure for depressive and anxiety disorders in a population of recognized mental problems in insurance medicine is limited due to the high prevalence of depressive and anxiety disorders. A step-up/step-down PARC can facilitate recovery for people with mental illness through promoting independence and illness selfmanagement. At PARC exit, participants reported fewer difficulties with relating to self/others, daily living/role functioning and Demographic measures Whether a PARC stay (age, gender, and influences measures depression/anxiety and were observed by marital, housing, employment and education/training of symptom, social clinicians to experience fewer symptom, behavioral and social difficulties. In the six months after, participants also spent less time This research was conducted in order to explore the experience of care and and behavioral difficulty, by assessing Lee 2014 Australia outcomes for people entering a bedbased step-up/step-down Prevention Not specified status), Clinical measures (length of changes in clinical in hospital psychiatry care. Qualitative data identified that promotion of independence and measures and by and Recovery Centre (PARC) exploring with illness self-management, regular staff support stay, entry and exit outcome measures, psychiatric hospital use) participants what contributed to and assistance to address potential stressors were benefits of PARC, and may have contributed to improved outcomes. Other positive aspects of PARC included: supportive outcomes. and caring staff; help with practical issues or community access; therapeutic activities and learning about health; and socialization opportunities. Mini International Psychiatric Interview Investigate the relationship between There are various types of workplace-related anxieties. They are partly independent clinical anxiety disorders in general and anxiety exhibited in the workplace in General anxiety MINI and MINI work Relation between general anxieties and work-related anxieties Linden 2007 Germany and workrelated anxiety anxiety interview (different types of workphenomena deserving special diagnostic and particular therapeutic attention related anxieties and phobias The present study investigated the Road-accident survivors with PTSD had significantly less work potential post-accident than survivors without PTSD. Specific barriers to components of work potential in General demographic people with PTSD with view to providing empirical data to both inform the conceptual development and accident factors, Assess the components of work Post-traumatic stress disorder PTSD, Subjective distress, Work potential, employability for survivors with PTSD included Matthew s 2005 Australia high levels of depression, reduced timemanagement ability, and an overconcern or anxiety with physical injuries. Respondents with of work functioning in people with PTSD and to steer the development (PTSD) ‘Recovered’ physical functioning and body potential in people with PTSD. of appropriate early vocational interventions for this population. pain, Injury severity PTSD, however, reported significantly greater extrinsic motivation to work than those without PTSD. Early intervention and referral to occupational rehabilitation programs that: (1) help address these barriers to employability and stimulate the existing motivation to return to work, and (2) work alongside clinical treatment programs, may assist in the reduction of poor work outcomes that people with PTSD following road accidents often experience. Trauma-related appraisals and coping strategies are associated with work potential following accidental injury. Respondents with significant symptoms of PTSD reported significantly higher scores for negative appraisals about the self and Relationships between This study aimed to document the PTSD symptom severity, traumarelated appraisals, coping strategies and of the world several months post-accident, and adopted more avoidant coping strategies. This is self-reported trauma-related appraisals and coping strategies of Posttraumatic stress, Trauma-related appraisals, Coping important for rehabilitation professionals because it identifies a cognitive style that may Matthew s 2009 Australia injured workers with and without symptoms of posttraumatic stress PTSD strategies, Work potential, Return to work potential of disorder (PTSD) and to explore relationships between these cognitive trauma-exposed injured workers (to identify predictors of be associated with poor adjustment and therefore a potential barrier to RTW in survivors work variables and work potential. of accidental injury. The work potential in respondents with symptoms of a PTSD diagnosis work potential) was significantly poorer than in those without symptoms of a PTSD diagnosis and fewer people with significant symptoms of PTSD returned to work following their accident. we draw from Conservation of Resources Theory to advance and test a framework which predicts that Workplace anxiety, Emotional exhaustion, Cognitive interference, found support for emotional exhaustion as a new theoretical link between workplace anxiety and job performance, even while controlling for a previously hypothesized mechanism, cognitive emotional exhaustion plays an explanatory role underlying the relation between workplace anxiety Job-related Relation between Work anxiety and work performance McCarthy 2016 Canada and job performance. Further, we draw from social exchange theories anxiety Supervisor-rated LMX, Peer-rated CWX, Supervisor-rated job interference. insight into social exchange as an antidote to the effects of workplace anxiety on to predict that leader–member exchange and co-worker exchange will mitigate the harmful effects of performance job performance anxiety on job performance. Individuals exposed to multiple work and family ICD 9 diagnoses
- phobic anxiety
disorders, other demands were especially likely to experience sickness absence days due to depression (age- To study the association between multiple work and family demands Sickness absence due work stress, family to non-psychotic psychiatric disorders adjusted Rate Ratios in the group exposed to multiple work and family demands were 4.70, Melchior 2007 France and sickness absence due to nonanxiety disorders, other demands psychotic psychiatric disorders (including anxiety 95% CI 1.96–11.24 in men and 8.57, 95% CI 4.26–17.22 in women; fully-adjusted RRs were 3.55, 95% CI 1.62–7.77 in men and 6.58, 95% CI neurotic stressrelated siroders disorders) 3.46–12.50 in women) Subcontractor employees were significantly more likely to experience health problems than The purpose of this study was to Work-related health problems, Absenteeism, Effect of subcontracting on self-reported health problems and absence the employee at parent firms. In particular, investigate the effect of subcontracting on self-reported health problems and absences due to subcontractors’ risk of injuries and anxiety/depression increased twofold and Personal and occupational characteristics, Job Min 2013 South Korea Not specified threefold respectively. In addition, subcontractor employees were three times more likely than employees at parent firms to miss work due to illness . Working conditions, occupational accidents and sickness. aspects, Working due to occupational accidents and sickness hazards especially those related to job aspects and workplace exposures, attenuated these risks. Mental disorders are associated with deficits in functioning and result in the loss of work days. Anxiety disorders that cause the greatest loss of work days are, panic, and agoraphobia, whereas To assess the disability burden associated with depression, mania, agoraphobia, social phobia, general the highest levels of disability are produced by post-traumatic stress disorder, depression and Agoraphobia, Social phobia, Disability, Anxiety and General anxiety, Panic depressive disorders, Non-psychiatric chronic Association of disability with common mental social phobia. Persons with common mental anxiety, panic disorder, and postdisorders have, on average, higher levels of disability than those observed among persons Muñoz 2007 Mexico traumatic stress disorder (PTSD) according to the Mexican Psychiatric disorder, and Post-traumatic stress disorder conditions( diabetes, arthritis, hypertension, disorders with a wide range of chronic physical conditions. This is the first study to demonstrate the impact of mental disorders in Latin America, Survey and to compare results with backache, and other the disability produced by some chronic non-psychiatric conditions. (PTSD) chronic conditions) but the results are consistent with prior studies in North America and Europe that have found that persons with common mental disorders experience substantial disability in social role functioning. Work-related anxieties are frequent and have a negative effect on the Workplace phobia seems to be a frequent occupational perfor-mance of patients and absence due to sickness. problem in primary care. Patients with workplace phobia had longer durations of sick leave than patients without workplace phobia and were impaired to a higher degree in work- Most important is workplace phobia, Mental disorders, Workplace problems, Assess which illnessrelated or workplacethat is, panic when approaching or even thinking of the workplace. This Muschall Work-related Capacity and Participation restrictions, Illness severity, Sick leave. specific context factors are associated relevant capacities. They also had a higher degree of restrictions in participation in other a 2014 Germany study is the first to estimate the prevalence of workplace phobia anxieties with workplace areas of life. It may behoove primary care clinicians to consider workplace-related anxiety, among primary care patients suffering from chronic mental disorders and to describe which illness-related or workplace-specific phobia. including phobia, particularly when patients ask for a work excuse for nonspecific somatic context factors are associated with complaints. workplace phobia. Job-related anxiety, in contrast to general trait-anxiety, is by its very nature associated with problems of participation at work. The aim of this Perceived job-anxiety, General anxiety, Sociodemografic and Work-related variables ( Relation between general trait-anxiety Job-anxiety, in contrast to trait-anxiety, was significantly related to duration of sick leave. Women showed higher scores for trait-anxiety but not for job-anxiety. It can be concluded that and specific jobanxiety and whether job-anxiety and traitanxiety are differently Muschall study is to investigate the relation between general trait-anxiety and specific job-related anxiety and to examine whether job-anxiety and Job-related age, gender, current duration of sick leave, a 2010 Germany anxiety job-anxiety is related to but not identical with trait-anxiety. Job-anxiety is important to employment status, understand sick leave and appears as a multidimensional and clinically important duration of unemployment, workplace position) associated with sick trait-anxiety are differently leave. phenomenon. associated with sick leave. Workplace phobia is investigated concerning its specific clinical characteristics. (1) The first aim is to Participants with workplace phobia reached significantly higher scores in workplace phobia investigate ‘workplace phobic anxiety’ concerning its relatedness with ‘established anxiety disorders’ and perceived general psychosomatic symptom load, including general (not- Workplace phobia, Other anxiety disorders, self-rating than participants with established Assess ‘workplace phobic anxiety’ and anxiety disorders. Workplace phobics were more often on sick leave than patients with General and workplace Muschall Workplace phobic symptom load, Subjectively perceived work-participation problems associated with it, compared to established anxiety disorders. In sum, Workplace phobia can occur as an alone standing anxiety disorder. It has an own clinical value due to its specific consequences for work participation. Workplace phobia requires special a 2009 Germany phobia work-related) anxiety. (2) Secondly, work load, sick leave, work-participation problems are regarded: sick leave measures will be and therapy participation. ‘established anxiety disorders’. used as objective criteria of workplace absence. (3) Thirdly, in respect to treatment, frequencies of therapeutic attention and treatment instead of purely ‘sick leave’ certification participation in work-directed therapy units in a psychosomatic rehabilitation program are investigated. Job anxiety is a severe problem in many patients with chronic mental General psychosomatic symptom load and job anxiety show a different course during treatment and are differently related to sick leave. General psychosomatic symptom load can be understood as a measure of the degree of the chronic illness status, whereas job anxiety disorders, as it usually results in specific participation problems in the Assess whether job anxiety and general Job anxiety, General psychosomatic symptom workplace and long-term sick leave. The aim of this study was to explore psychosomatic complaints are similarly or differently Muschall a 2012 Germany Job anxiety load, Sick leave, the development of sick leave in Employment, Sociodemographics reflects specific additional context-related problems, i.e. problems with work. A core finding is that job anxiety is related to work avoidance, but work exposure may reduce job dependence on general psychosomatic complaints and job associated with sick leave status over the course of time. anxiety from admission to a psychosomatic inpatient treatment anxiety. This has direct consequences for until 6 months after discharge. putting patients on sick leave or not. Patients with work anxiety described their workplace significantly more negatively than patients without work anxiety and employees in the general population, with no differences in workplace descriptions between psychosomatic Work anxiety is a potentially disabling mental health problem, which can cause (long-term) sickness absence. Mental disorders and Relationship between patients without work anxiety and the general population sample. The type of complaint about Muschall work anxieties, Subjective perception work anxiety and a 2016 Germany The aim of this study was to investigate the relation between subjective work description and work Work anxiety negative work work conditions was related to the specific type and evaluation of workplace conditions perception of work anxiety. Therefore, reports about workplace burdens can be indicative of work anxiety. anxiety and should prompt furtherin-depth assessments. The content of complaints about work conditions may point to the type of underlying work anxiety. Type of anxiety, work ability impairment (Mini- ICF-APP.) Mini-ICF-APP covers 13 dimensions of psychological capacities which are often impaired due to mental disorders: adherence to Patients with different work-anxieties were impaired in different capacity dimensions: Work-related social anxiety went along with regulations, planning and structuring of tasks, Relation between clinically relevant impairment in capacity of assertiveness (M = 2.40), anxiety of insufficiency went along with impaired capacity of endurance This is the first study to investigate different types of Muschall work capacity impairment in risk flexibility, applying expertise, capacity to anxiety and 13 a 2015 Germany patients with different work- Work anxiety dimensions of (M = 2.20), and work-related generalized worrying was accompanied by impairment in anxieties. judge and decide, psychological endurance, assertiveness, contacts with others, teamwork capacities the capacity for decision making (M = 1.82). Specific capacity impairment dimensions were related to sick leave duration, while a global capacity, self-care, mobility and the nonwork domains of nonwork ability prognosis was not. work recreational activities, familiar and intimate relationships In this study self-reported job-anxiety appeared as a specific type of anxiety as opposed to trait- To investigate job-anxiety in employees not undergoing treatment anxiety. In the workplace job-anxiety can present as job-avoidance and sickness absence and should be distinguished from trait-anxiety. Avoidance was most often accompanied by the for mental health illness, firstly by assessing the level of job-anxiety and work-related avoidance tendencies in Testing whether job- Muschell a 2013 Germany Job-anxiety Trait-anxiety, Job (state) anxiety is distinguishable from comorbid job-anxieties ‘job-related social anxiety’, ‘fear of changes at work’ and ‘fears of existence’, ‘anticipatory’ and ‘conditioned’ jobanxiety, Demographics a working sample, and secondly by trait-anxiety. testing whether job-anxiety is distinguishable from trait-anxiety. anxiety and ‘panic symptoms’. In practice, employers and occupational health practitioners should be aware of those employees prone to sickness absence. To clarify the influence of working hours on both mental and physical Mental and physical Assess the influence of In the group working 260–279 h/month, the odds for depression and ‘irritability’, ‘anxiety’ Nagashi ma 2007 Japan symptoms of fatigue and use the data obtained to determine Not specified fatigue symptoms, Working hours, Lifestyle variables (marital status, working hours on mental and physical symptoms of fatigue. and ‘chronic tiredness’ were significantly increased. In the group working ≥280 h/month, permissible working hours. smoking, drinking, the odds for ‘general fatigue’, ‘physical exercise habits), Clinical disorders’, ‘anxiety’ and ‘chronic tiredness’ were and Psychological likewise significantly increased. The present results clarified that working hours should be symptoms. <260 h/month in order to minimize fatigue symptoms in male day workers. Age, Gender, Presence of a spouse/children, Scheduled and excess working hours, Global POAWs left from work by the result of psychiatric problems like depression, anxiety Assessment of the Functioning (GAF) at the and so on. These were the result of their background factors, their characteristics, and psychological stress in/outside the workplace. we investigated the background factors promoting and inhibiting a baseline. Any psychological stress- Assess background factors promoting and Nakamur related experiences inhibiting a return to work after long-term a 2013 Japan return to work after long-term absence from work due to sickness Not specified within the last six months, Degree of work After two-year psychiatric treatment, their psychological stress outside the workplace remained as an essential matter. These were inescapable because they were set in private place, while stress at the workplace could be absence from work due to mental illness. among psychiatric outpatients. satisfaction, Actual support from any environment, Relationship with superiors, colleagues, and subordinates, and left at the work place. other. The stress treatment programme – a combination of work place-focused psychother- To evaluate the efficacy of a multidisciplinary stress treatment Return to work, psychological symptoms, Effect of intervention on anxiety and phobic Netterstr Anxiety as øm 2013 Denmark symptom working ability and apy and MBSR – significantly reduced stress programme. degree of stress symptoms symptom levels and increased RTW rates compared with the WLCG and TAUCG. Return to work (RTW) perceptions Compared to RTW expectation, differences in RTW-SE were more predictive of actual RTW. At have been found to predict actual RTW of workers with common mental Assess: 1) the relative value of RTW selfefficacy (RTW-SE) and Worker Characteristics, baseline, lower fatigue, depressive symptoms, and work pace- and load were associated with higher RTW-SE. Decreasing levels of fatigue and disorders. This study aims to (1) assess the relative value of RTW self- Diagnosis, Fatigue, Distress, Depressive and Anxiety Symptoms, RTW RTW expectation in predicting actual RTW, Nieuwen huijsen 2013 Netherla efficacy (RTW-SE) and RTW expectation in predicting actual RTW Not specified and (2) the role of depressive symptoms over time were associated with parallel improvements in RTW- SE. Workers with high work pace and workload at baseline showed lower levels of RTW-SE at all nds self-efficacy (RTW-SE), RTW expectation, Time mental health symptoms, work characteristics and their interaction as determinants of these and (2) explore the role of mental health symptoms, work characteristics and their interaction to Full RTW. time points. It is therefore recommend to use as determinants of these RTW perceptions at baseline and over the RTW-SE scale to detect workers with common mental disorders at risk of a late RTW. time. RTW perceptions. Work characteristics and changes in mental health symptoms were associated with RTW-SE over time. Among both genders, the partner role was associated with decreased risks of depression and anxiety and the parent role was not. The work role was a significant protective factor of depression and anxiety for men but not for women. The effect of the work role was positive among women without children, but not among This study examined the associations of (combinations of) social roles (employee, partner and parent) with Depression and anxiety Associations of work and family roles with those with children. The gender risk for depression and anxiety decreased significantly disorders, Work-role variables, Family-role variables, Social roles, Covariates (age, level of Plaisier 2008 Netherla the prevalence of anxiety and depressive disorders and whether depression and anxiety disorders by adding the work role variables into the model. Particularly the amount of working hours were associated to the prevalence of depression and anxiety disorders among men, Not specified nds among men and women in the age of 25 through 55 years. social roles contribute to the education, number of explanation of the female preponderance in these disorders. chronic diseases) but not among women. FT work had a strong advantage for men concerning their mental health, and having no job or a part-time job was strongly associated to poor mental health conditions among men, but not implicitly among women. Working women had a better mental health compared to women without jobs, unless they had children. Work functioning, Depression and anxiety Anxiety disorders have significant negative impact on work functioning, although smaller diagnoses, Covariates than the effect of depressive disorders. Comorbidity, severity, type and duration of the (sex, age, education, Examine the association of detailed number of working hours a week, number disorder, differentiate the risk of poor work characteristics of functioning. Persons with current anxiety disorders had 1.84 and 2.13 greater odds for the To examine and compare psychopathological characteristics of of somatic conditions consisting of a count of reported heart diseases, depressive and anxiety disorders with Plaisier 2010 Netherla Not specified risk of >2 weeks absence and impaired work performance, respectively. Even when persons nds depressive and anxiety disorders in their effect on work functioning. diabetes, stroke, arthritis, cancer, hypertension, intestinal problems, liver disease, work functioning (both absenteeism and decreased work recovered from depressive and anxiety disorders, they still had a higher risk of poor work functioning. Persons with comorbidity, performance) epilepsy, chronic lung problems, allergy and chronic depressive disorder, a generalized anxiety disorder, and more severity of both anxiety and depressive disorder had higher odds injuries) for the risk of absenteeism and decreased work performance. As expected, depressed and anxious patients were at significantly elevated risk for absenteeism and poor work performance. In analyses adjusted for psychopathology, absenteeism and poor performance were significantly lower among persons reporting high job support, high job control, less working Working hours, psychosocial working This study examines the importance of job characteristics on absence and Effect of any of the job conditions and occupational status and Plaisier 2012 Netherla on-the-job performance in a large group of employees with diagnosed Anxiety general characteristics on the nds work functioning (absenteeism and work absenteeism and job hours, self-employed and high skilled jobs. Associations were comparable between persons depressive and anxiety disorders. performance performance) with and without psychopathology. High job support, high job control and reduced working hours were partially related to work functioning in both workers with- and withoutpsychopathology. Personal characteristics The majority of police officers returned to work after the treatment program. At the start of the (age and sex), Complaints (PTSD Evaluate differences between working police personnel and treatment half of the police personnel were on This study 1) describes the number of symptoms and police personnel with PTSD who are psychological comorbidity), Work related factors (working sick leave and at outtake 48 participants who working and those who are on sickleave before and after an outpatient-clinic treatment program and
- examines which factors are related
police personnel on were not working at intake had returned to Plat 2013 Netherla PTSD sick leave at intake work. None of the variables at intake contributed significantly to return to work at outtake. We recommend that attention be paid nds or not, percentage of work time, performing own job, years of work experience and number and outtake & whether the intake data were related to returning to work at to return to work. to successful return to work as part of the treatment program, therefore the occupational outtake. health professional and employer should be of traumatic experiences) involved. Time until a first sustained RTW, Number This study identified a number of risk factors associated with a delayed RTW and multiple attempts at RTW. Older age, being from a small of attempts at RTW during follow-up, Utilisation of mental health services, History organisation, working in some specific industry The aims of this study were to describe predictors of sustained return to work (RTW) among a cohort segments, consulting a psychiatrist or psychologist, using medications, and having a Examine factors associated with time of work related claims, previous claim were all associated with a delayed RTW. Workers experiencing work pressure, assault/workplace violence or other Prang 2016 Australia of workers with compensated work- Not specified Demographic and occupation factors (gender, age, nature of claim, injury mechanism, until the first sustained RTW after sickness absence due related mental health conditions (MHCs); and to examine predictors of mental stress factors, working in the public administration and safety industry and having a subsequent absences due to the to a MHC. same condition. industry group, workplace size, occupational skill level, medical incapacity certification between 3–4 days and 5–7 days had a higher rate of multiple RTW attempts. Predictors may help identify high-risk groups and facilitate the RTW process and residential remoteness index) of workers with MHCs. Statistically significant changes were observed Condition management programmes in all outcome measure scores between start and end of intervention. Benefits of engaging in (CMPs) are vocational rehabilitation Preintervention and To investigate the extent to which CMPs schemes, which aim to address the postintervention outcome measure scores, Demographics ( CMPs included increased confidence and activity, improved ability to manage health conditions and reduction in pain. The results suggest that CMPs may be particularly effective needs of disability-related benefit claimants in the UK. The aim of this enable claimants to manage their health conditions better and Raegan 2011 Wales evaluation was to investigate the extent to which three CMPs in Wales Not specified age, sex and primary move closer towards work or work-related enable individuals to manage health conditions and move closer towards health condition recorded upon referral) for those with mental health conditions and support a model of vocational rehabilitation that focuses upon concepts such as fulfilment activity. work. and a positive sense of identity. Counseling of common mental health problems personal, treatment and by OPs using a guideline after a 3-day training To evaluate the effectiveness of work characteristics, severity of depression and anxiety (Depression course did not clearly differ in reducing productivity loss and treatment satisfaction guideline-based care (GBC) of Rebergen 2009 Netherla workers with mental health Productivity loss (first compared with UC. However, workers with minor stress- related disorders may benefit from GBC. Results of this study contribute to the problems, which promotes counselling by the occupational physician (OP) facilitating return to Not specified RTW, full RTW, and total productivity loss) nds Anxiety Stress Scales DASS-42 and Hospital Anxiety Depression Scale further development of effective evidencebased guidelines and collaborative occupational work (RTW). HADS) health care for workers with common mental disorders. Examine 1) the main effect of an integrated model (work-focused CBT and individual job support) AWaC (At Work and Coping) on work participation at 12 months follow-up; A work-focused CBT and individual job support was more effective than usual care in increasing The aim of this study waste evaluate or maintaining work participation for people the effectiveness of work-focused cognitive behavioural therapy (CBT) and individual job support for people Work participation at 12 with CMDs. The effects were profound for people on long-term benefits. The intervention also reduced depression and anxiety symptoms and increased health related quality of life more months follow-up, Changes in mental health, Health-related
- changes in mental
Reme 2015 Norway Not specified health and healthrelated quality of life at 12 months followstruggling with work participation due to Common mental disorders quality of life than usual care. This is the first large-scale RCT (CMDs). up; 3) effect differences in subgroups defined by gender, age, baseline to demonstrate an effect of a behavioural intervention on work participation for the large group of workers with CMDs. work status, health variables and time of inclusion. Panic attacks, phobic anxiety, To investigate mental health symptoms as prognostic risk markers Distress, depression, anxiety and somatization scores at baseline were prospectively associated with both high all-cause SA and psychiatric SA in Mental health symptoms (Including Roelen 2014 Netherla free-floating Sickness absence nds of all-cause and psychiatric sickness anxiety and anxiety) absence (SA) avoidance behaviour the following year. Telephone-based collaborative care for panic Self-reported sociodemographic status; the mental and disorder and generalized anxiety disorder is more effective than usual care at improving anxiety symptoms, health related quality of life, To examine whether telephone-based physical component summary scores of the Effect of the use of the and work-related outcomes. At 12-month collaborative care for panic and telephone care on reduction of anxiety follow-up, intervention patients reported reduced anxiety and depressive symptoms; improved mental health-related quality of life; and larger improvements relative to baseline in Rollman 2005 US generalized anxiety disorders improves clinical and functional outcomes more than the usual care provided by primary care physicians. General anxiety 12-item Medical Outcomes Study Short and depression Form (SF-12 MCS and SF-12 PCS,,the PRIMEsymptoms hours worked per week and fewer workdays absent in the past month than usual care MD and the 17-item patients. If working at baseline, more intervention patients than usual care patients HRS-D remained working at 12-month follow-up. To investigate the prevalence of six common mental disorders among one population of Dutch hospital physicians (i.e. work-related fatigue, Analyses showed that physicians with scores indicative of mental health disorders were 5.6for PTSD and 7.1-fold for anxiety more likely to PTSD, depression, anxiety (Brief symptom Ruitenbu rg 2012 Netherla stress, depression, anxiety, burnout PTSD Work ability (WAI) nds and posttraumatic stress disorder) inventory checklist) report their work ability as insufficient than those without scores indicative of mental health and to investigate whether the presence of a mental disorder is associated with the way physicians disorders. perceive their own work ability. Application of the ICF to under-standing mental To use the framework of ICF components to investigate the health conditions, body health conditions and functioning in the functions (depression and anxiety symptoms), workplace over time revealed which components were associated, and in what direction. Depression/anxiety symptoms were magnitude and direction of association between body functions Specified by PHQ screening instrument for activities, work participation (assessed Sanderso n 2008 Australia (depression/anxiety symptoms), activity (limitations in work activities), Workplace mental health and functioning more likely to be an outcome of other ICF components, rather than a risk factor. Sickness absence, limitations in work activities, and work by sickness absence participation (sickness sense), and environment (psychosocial aspects) in DSM-IV days), work environment/perceived environment all conferred a greater than twothe workplace setting. effort put into job fold risk of depression/anxiety symptoms 6 months later. Adjusting for age, sex, and number of chronic medical conditions PD and PTSD contributed independently and relatively equally to the prediction of poor functioning, reduced healthrelated quality of life, and more sick days from work. In contrast, GAD had relatively little impact on these indices when the effects of comorbid major depression were considered. Overall, these observations leave no doubt that The objective of this study was to Panic disorder with or without Physical health functioning (PCS-12), examine the relative impact of Functional status, sick Stein 2005 U.S. anxiety disorders and major depression on functional status and agoraphobia, social phobia, Mental health functioning (MCS-12), days from work, and health-related quality anxiety disorders carry with them a profound burden of disability for patients in the primary care setting. Importantly, the impact of anxiety disorders was substantial even among patients health-related quality of life of PTSD, GAD disability (WHO-5), health utility (SF-12) of life primary care outpatients. with chronic medical illness, consistent with observations that much of the disability and work loss associated with physical illness seen in the community is, in fact, attributable to comorbid mental disorders. Patients with anxiety disorders reported significantly lower quality of life than the community sample. A shorter duration of illness Examine QoL in patients with anxiety was associated with lower quality of life. QoL was significantly correlated with severity of anxiety, depression and stress as well as with measures of disability and adjustment. Partial correlations indicated that depression did not The aim of the study was to examine Quality of Life, Functioning, Work and disorders and its relationship with functioning, work and quality of life, functioning, disability, Sudhir 2012 India work and social adjustment, depression, anxiety and dysfunctional Not specified Social Adjustment, Disability, Depression, social adjustment, depression, anxiety, significantly impact the relationship between work and social adjustment and QoL. Work and social adjustment, depression and dysfunctional cognitions in patients with anxiety Anxiety Stress, Dysfunctional Attitude disorders. stress and dysfunctional beliefs. cognitions emerged as significant predictors of QoL. An important observation was the considerable dissatisfaction in work and overall social adjustment and family roles reported by patients with anxiety disorders. General Health Questionnaire (GHQ30) The results suggest that the intervention program was effective at improving participants’ ability to work, their sense of control over their jobs, and, in particular, their To examine the effectiveness of a for depression nd anxiety, work-related workplace-based intervention program to improve mental health, work ability, and work productivity in Effect of intervention Sun 2013 China General stressors, work ability/job control, absenteeism, work performance/productivit on anxiety and depressive symptoms ability to meet the mental demands of work. The intervention program also reduced participants’ job stress levels and reduced the privately owned enterprises in China probability of absenteeism related to y, depression. Investigate the associations between Farmers had a twofold increased risk of disability pension (age-adjusted and sex- We investigated the risk of work symptoms of anxiety adjusted HR 2.07, 95% CI 1.80 to 2.38) compared with higher grade professionals. Farmers with symptoms of depression caseness disability in Norwegian farmers compared with other occupational and depression caseness at baseline (score on the anxiety Torske 2015 Norway groups, as well as the associations between symptoms of anxiety and General anxiety Symptoms of anxiety and disability pension had a 53% increased risk of disability pension (HR 1.53, 95% CI 1.25 to 1.87) compared with farmers below the cut-off point of depression symptoms or depression subscales of the Hospital Anxiety and depression and future disability pension. Depression Scale caseness symptoms, whereas farmers with (HADS) ≥8) and disability pension symptoms of anxiety caseness had a 51% increased risk (HR 1.51, 95% CI 1.23 to 1.86). Logistic regression analyses (Table 2 )showed that individuals who screened positive on the SCL (psychological distress) or had any lifetime internalizing disorder were more likely to be in This study investigates the degree to which internalizing disorders (anxiety and mood disorders) are prospectively associated with sick leave granted for mental and somatic GAD, social phobia, panic Symptoms of psychological distress (anxiety and depression) the group with the highest level of sick leave granted formental disorders,with sex- and age- Torvik 2014 Norway Sick leave (% of days lost due to being sick) disorders, and the extent to which common genetic and environmental disorder, agoraphobia adjusted odds ratios (ORs) 4.00 and 6.43 respectively. Individuals who screened positive on SCL or had any lifetime internalizing disorder risk factors influence these were also more likely to have higher rates of sick leave granted for somatic disorders, with relationships. ORs of 1.76 and 1.73 respectively. A higher proportion of workers had achieved RTW by three months in the psychiatric consulta- tion group, namely 58% versus 44% in This article aims to assess time to RTW after a psychiatric consultation the care as usual (CAU) group. At six months follow up there was no difference between the Participation in psychiatric consultation Van der providing treatment advice to the intervention and control groups in the proportion of work- ers who had achieved RTW. Feltz- Cornelis 2010 Netherla occupational physician (OP) for employees on sick leave for common GAD, Panic intervention, quality of Time to RTW (primary) nds disorder life, severity of At that time, in the CAU group, referral to mental health specialists had occurred and 85% mental disorders in the occupational health (OH) setting, compared to care symptoms as usual (CAU). had returned to work in both groups, likely reflecting a ceiling effect. The survival analysis showed that RTW was 68 days faster in the psychiatric consultation group (P = 0.078). Results suggests an association of long working hours with subsequent depressive and anxiety symptoms, particularly among women. If these We examined the association between long working hours and the Virtanen 2011 UK Not specified Working hours Anxiety symptoms associations are causal, the findings of the present study suggest that long of working hours should be recognized as a potential risk onset of depressive and anxiety symptoms in middle-aged employees. factor for the development of anxiety and depression in women The primary outcome measures were time to first RTW (partial or full) This study evaluated the effect of a blended eHealth intervention (ECO) versus care as usual on time to RTW The results of this study showed that in a group Common and time to full RTW. Effect of intervention of sick-listed employees with common mental Volker 2015 Netherla mental disorders incl. Secondary outcomes on the common disorders, applying the blended eHealth ECO intervention led to faster first RTW and more nds of sick-listed employees with were response and mental health common mental disorders Anxiety remission of the common mental disorder symptoms (selfdisorders remission of common mental disorder symptoms than CAU. assessed). Reduced labor force participation, degraded employment trajectories People with anxiety disorders may need more To ascertain at a population level, patterns of disability, labour force participation, employment and work performance among people with ICD- 10 anxiety disorders in comparison to people without disability or long-term effective treatments and assistance with completing education and training, joining and rejoining the workforce, developing career Waghorn 2005 Australia Not specified and impaired work performance compared Effect of anxiety on activities of daily living pathways, remaining in the workforce and sustaining work performance. A whole-ofto people without disabilities or long-term government approach appears needed to reduce the burden of disease and increase health conditions. health conditions. community labor resources. Work characteristics (imbalance of cognitive requirements, possibility Interpretations of relationships between work characteristics and psychiatric disorders may be biased Externally assessed work characteristics, in terms of hindrances for instrumental support Agoraphobia, social phobia, specific phobia, of influencing one's work characteristics, required conformance from colleagues and supervisors, and Waldenst by over-reporting of unfavourable Anxiety syndromes according to DSM-IV deterioration in psychosocial work characteristics were associated with increased rom 2008 Sweden work characteristics among those with psychiatric disorders. This study panic syndrome, GAD attempts to account for this bias by using external assessments of work to schedule, time pressure, hindrances, support from colleagues odds ratios for diagnoses of depression. Findings for anxiety were similar but not characteristics. statistically significant. and supervisors) Outpatient-managed depression/anxietyrelated sick leave was significantly associated with higher permanent disability (hazard ratio (95% confidence interval)) 1.48 (1.30, 1.69) for We addressed whether sick leave due to anxiety, depression or comorbid Effect of anxiety diagnosis on the anxiety and depression was associated with increased risk of Retirement before age Wedegae depression, 1.25 (1.07, 1.45) for anxiety, 1.91 rtner 2013 Germany Anxiety 58, 2.) death from any increase risk of disability pension and (1.56, 2.35) for both). Among outpatients, comorbidly ill men (2.59 (1.97,3.41)) were more retirement due to permanent disability and increased mortality in a cause mortality likely to retire early than women (1.42 (1.04,1.93)). Anxiety (0.53 (0.38, 0.73)) and female outpatients with depression (0.61 (0.38, cohort of German workers 0.97)) had reduced mortality compared to 104 controls. Depression/anxiety diagnoses increase the risk of early retirement; comorbidity and severity further increase that risk, depression more strikingly than anxiety. Sickness-absence diagnoses of anxiety/depression identified a population at high risk of retiring early due to ill health, suggesting a target group for the development of interventions. To ascertain the extent to which injured patients with PTSD and depression were experiencing functional impairments 12 months after injury hospitalization. Hypothesized strong statistically significant associations between PTSD Functional, work and Twelve months after injury, PTSD and depression were associated with impairments in and depression and functional productivity outcomes, productive Zatzick 2008 USA impairments after injury. Also hypothesized that the associations PTSD PTSD activities of daily living, physical and mental health status, and not returning to usual major activity and work between PTSD, depression, and functional impairments would persist even in the most conservative models activity and work. that comprehensively adjusted for injury, clinical, and demographic characteristics.
6b Tweede deel extractie tabel, kwantitatieve studies
Target population Sample % Women Mean age+ % employed Type job/education Design Data collection Methodological quality Level of Evidence size CI method Employees on sick leave due to symptoms of chronic pain, fatigue, depression, anxiety, and 1 167 78.3% 41 100% Not specified Cross-sectional Survey 0.909 C insomnia. Equal distribution Cross sectional, 2 General population 3164 51 Not specified 100% between manual two-stage stratified cluster Survey and health interview 0.955 C and non-manual labour sample 3 Not specified 4240 70.60% 38.11 18.50% Not specified Cohort Patient health questionnaire 0.909 B Computerized PRIME-MD GP population of distressed patients on Low (23%), Medium (48%), Test–retest reliability study telephone interview, with retest interview 4 100 68% 40.4 100% 0.909 A2 sick leave High (29%) after 1 week Clusterrandomised 5 General population on sick leave 433 67 and 41,9 (8.8) Not specified Mostly intermediate level 65 and 39,5 controlled educational trial Questionnaires 1.000 A2 (9.6) (42% and 50%) 30.4%/28.54% (M/F) have 12 yrs of education, 26.83%/29.89% men: 42.78, 89% of men, 69% of women Not specified 7566 56% women (M/F) have 13- Longitudinal Survey 0.773 A2 43.40 15yrs, 27.65%/28.61% have >16 yrs Convenience store employees, victims < High school (24%), Completed Validated diagnostic interview (SCID-I) 86 53% 21.82 100% Longtidunal study 0.864 A2 of armed robbery high school(75%) Less than a 4 yr degree (14.9%), 4 Employees of a major Unspecified yr college degree Randomized controlled trial Pre- and posttechnology company 309 70.6% (young people) 100% (43.4%), Some graduate school (10.7%), Graduate intervention questionnaire 0.958 A2 degree (31.1%) 106 Agricultural (39%), Service Self-employed people who had applied for sickness benefit from an (18%), Construction (12%), Health care Randomized controlled trial Pre-/post-/follow- 122 19% 42 100% up intervention 0.958 A2 insurance company questionnaire (8%), Trade(8%), and Other(15%) Nurses (71.9%), Surgery assistant Nurses and allied health (1.4%), Nurse Online selfassessments at professionals, such as practitioners (9.0%), Allied Clusterrandomized controlled trial physiotherapists and 366 79.8% 40 100% baseline, and after three and six 1.000 A2 radiotherapists health professionals months (17.8%) primary education (30.4%), secondary education (39.6%), high education (30.0%) Not specified 425 (anxiety n=48) 58.40% 35.2 (SD 100% employed RCT questionnaire 1.000 A2 9.4) Distress Screener, four-dimensional Steel company (78%), Academic symptom questionnaire Sick-listed employees 171 24.6% 50 100% Validation Study 0.958 A2 hospital (17%), University (5%) (4DSQ), Employees' medical files (OPs diagnoses) 39,4 (9,1) 1.5-year randomized controlled trial Patients with minor mental disorders 194 58,2 and and 40,1 100 69 and 61 % Questionnaires 1.000 A2 60,4 (9.3) Middle Data was derived from the Netherlands Mental Health General population 7076 Not specified Not specified Not specified Not specified Cross-sectional 1.000 C Survey and 107 Incidence Study. Fifteen percent of participants had not completed high school, 34% Healthcare for Communities (HCC), a national General population 9.585 42.7 46 95.7 had completed high school, and 51% had at least Cross-sectional 0.955 C household telephone survey some college education 242 psychiatric outpatients 61.2% Self-report questionnaire and Psychiatric outpatients and 67.2% 38.8 44% and 80% Not specified Case-control 1.000 B and healthy controls and 516 controls psychiatric evaluation Unspecified Urban aeronautical industry employees (officers and workmen) (<30 yrs: 16; 30-45 Undergraduate (43.8%), Graduate 43 6.90% 100% Cross-sectional Semi-structured questionnaires 0.773 C yrs:20; >45yrs: 7) (51.1%), Postgraduate (13.9%) Low (17.6%), Intermediate (67.9%), High Dutch disability ICD-10 registry codes, Interviews claimants 346 50.3% 49.8 100% Cross-sectional 0.864 C (12.4%) (CIDI) 108 Professional(52.8 %), White collar(37.7%), Blue collar(9.5%) / Tertiary education Employees from two south-east Australian 2248 49.60% 40-44 78% (41.6%), Diploma, undergraduate or Cross-sectional Survey 1.000 C cities trade certificate (35.5%), School (some primary or secondary education) (22.9%) Not specified 225 54% 41.51 (SD 9.12) 89.3% Not specified Cross-sectional Questionnaires 0.909 C Employees at risk for sickness absence were 151 80% and identified and 84% 43 and 42,3 100 Not specified RCT Survey 0.958 A2 randomized. 35%/19% (interventio Interventio Intervent n 37 (SD n/control) on sickness Basic school 27%/33%; further 126 (63 intervention, ion 73%; 9.9); Control 35.5 (SD Not specified Control benefits, education RCT Questionnaires 0.864 A2 63 control) 68% 6%/5% unemploye 71%/67% 7.6) d Canadian Community Health Survey Cycle 1.2–Mental general population 27.332 Not specified Not specified Not specified Not specified Cross-sectional 1.000 C Health and Well- Being (CCHS-1.2 109 Secretarial (8.6%), Agricultural (1.2%), Skilled Repeated measures cross- Four workproductivity questionnaires, medical records. Anxiety disorders clinic population 81 61.20% 35.8 100% trades (6.2%) Management (10%) Sales (7.4%) 0.864 C sectional (prepost treatment) Professional (40%) Other (26%) 89.3% of total n. Of anxiety n, 3345 (8% (287) with 88.5% in Mini Neuropsychiatric Not specified 59.8% Not specified the workforce, Not specified Cross sectional 0.773 C anxiety disorders) 68% had worked in Interview the last month Dutch employees with a Profit sector, education, civil Data collected through patient 982 (n = 46 mental disorder under anxiety) 54% 42.2 100% service, health Cross-sectional assessment by 0.909 C the care of OHP care) OHP 110 Prim education/lower sec (5.7%), Upper sec education, basic, upper secondary (15.3%), Final year/post sec, ♀ Age (yr): 30 (40.1%), 40 (31.1%), 45 (28.8%); non tertiary education (22%), Survey, Data from Subjects at risk for long- First stage of Longitudinal population-based Historical Event term sickness absence 8333 53% 100% tertiary education, undergraduate Database in Statistics Norway 0.955 B with psychiatric diagnoses (LSP) ♂ Age (yr): 30 (40.9%), 40 (30.9%), 45 (28.1%); cohort study (FD-Trygd) level (35.6%), First stage of tertiary education, graduate level/postgraduat e education (18.4%), Missing (3%) 82% intervent 43 (SD 11) interventio Nurses and allied health 1731 (561 control, 591 intervention) Nurse/allied professionals ion, 77% n, 42 (SD
- control
100% health professionals RCT Questionnaire 1.000 A2 control 16-39 yrs n = 223 40-49 People on sick leave for 517 (anxiety 100% (presumed Norwegian disability pension 29 >8 weeks with psychiatric diagnosis n = 65 or 60.7% yrs n = 139 50-62 yrs n Non specified Population-based 0.818 B 12.5%) as on sick cohort register = 152 leave) 111 45.8% were operating employees, 43.9% 21 centers, centers were Tests, interview, 30 Employees on sick leave 843 53.1 44.3 (7.1) 100% randomised, assessments 0.727 A2 supervisors and 10.3% managers patients not (For anxiety) 58.2% parttime, 41.8% 1632 (n=287, 31 Not specified 17.6% anxiety) 64.5% 40.7 Not specified Cohort Survey 1.000 B full-time 32 Employed people 60556 57.6 25-55 years old mostly 100 Cross-sectional Survey 1.000 C Lawyers, physicians, nurses, teachers, church ministers, bus drivers, people working in Not-specified 3475 ns 100% Longitudinal Questionnaire 0.955 A2 advertising and people working in information technology Workers at a suburban 3238 8.60% 38.2 100% Industrial workers (100%) Cross-sectional Survey 1.000 C Japanese industrial company 112 Psychiatric outpatients Academic education with mood or anxiety Quasiexperimental Self-reported questionnaires, 35 disorder & patients 367 76.00% 32.3 80.70% (25.8%), Employed or student (80.7%) 0.958 A2 suitable for psychoanalysis clinical trial interviews 75% (dependi ng on the 32 (depending 36 Outpatients from psychiatric services 326 75-85% 55-71% white Randomised Self-evaluative questionnaires 1.000 A2 on the groups) collar control trial group) existing data of survey was linked General population 13 436 Not specified Not specified Not specified Not specified Cross sectional 0.955 C cohort to medical records Lower vocational/genera l secondary education (37%), Intermediate vocational education (31%), Higher education Employees on sick leave due to common mental (31%); administrative Quasiexperimental Questionnaires (1, 38 disorders (depression, anxiety, or adjustment 168 60% 40.7 100% 3, 6, 9, 12 months 0.917 A2 jobs (13%), commercial service jobs (19%), health care clinical trial after baseline) disorder) (20%), education (6%), trade (6%), construction (5%), civil services (5%), and transport (3%) < 30 years Postgraduate (23.6%), (9.5%), Undergraduate 30–40 years (29.4%), (31.8%), Vocational qualifications (18.7%), High school (18.6%), Working Victorians 1087 52.2% 100% Secondary survey data analysis Survey 0.727 C 41–50 years (25.7%), ≥ 51 years Primary or secondary (21.3%) (21.3%) Self-report questionnaires Individuals who applied for a work disability benefit due to mental 230 67.8% 43.5 34.3% Missing Cross-sectional validation study (4DSQ), Diagnostic interviews (CIDI) 0.864 C health problems. Commenced high school(46.9%), Completed high school (25.5%), Completed vocational training (10.2%), Audit of participant files, Feedback groups PARC participants 118 48.3% 40.7 11.1% Completed Mixed-method 0.682 B tertiary degree/certificate (15.3%), Completed postgraduate studies (2.0%) People with one of the anxiety disorders from inpatient psychosomatic 70% white collar, 132 80% 45.8 68% 26% university Cross-sectional Interview 0.545 C degree rehabilitation center 114 Adult survivors of road 41 44% 36.88 100% Missing Cross-sectional Mail survey, hospital records 0.591 C accidents with and without PTSD Patients hospitalised following road accidents, high falls and serious sporting 44 69 45% 36.88 100% Missing Cross-sectional Questionnaires 0.773 C injuries. Police workers, their supervisors and peers 267 22% 41 100% College diploma Repeated measures crossor university degree (80%) Survey 1.000 C sectional Managers, Associate professionals/tec Not specified 11,183 men, 4,095 women 36.6% NS, all men ages 46-55 100% Cohort Yearly survey 0.909 B hnicians, clerks/manual workers Middle school Parent firm employees (15.3%), High school (43.6%), College or more and subcontractor 4100 41.7% 100% Cross-sectional Survey 1.000 C employees. (38.8%) 115 Missing (40% were Largely Missing (primary school/6th grade (68%), University Mexican adults living in urban areas 2362 54% in age group 18- 58% Cross-sectional Survey 0.864 C 29 yrs) (12%)) Primary care patients Questionnaires, with chronic mental 288 70.4% 43.3 100% Missing Cross-sectional Standardized 0.864 C disorders diagnostic interviews Inpatients of a psychosomatic and Self-report questionnaires, orthopaedic rehabilitation center with mental and somatic 190 72% 49 82% Missing Cross-sectional 0.909 C structured interviews disorders Technological professions (38%), Psychosomatic rehabilitation inpatients 230 71% 46.9 75% Office jobs/public Cross-sectional explorative study Interviews, Selfservice (30%), rating questionnaires 0.818 C health care professions (18%) 116 No school leaving certificate() 10–13 Self-rating questionnaires, Patients suffering from multiple mental 91 74.4% 46.8 69.3% classes/high Cross-sectional explorative study Diagnostic and 0.909 C disorders school() University() clinical intake interviews Technical/product ion (18%), Health care, social and Employed patients with educational services(26%), mental disorders (and general 148 (+ 8015 Comparative cross-sectional Structured interviews 0.727 C 53 controls) 70% 47 100% Restaurants, hotels and sales population controls) services(31%), Office and administration (25%) 73.6 % had a completed apprenticeship, 20.7 % had a university diploma, 2.6 % Patients in beginning of inpatient rehabilitation 244 53.3 50.23 (SD = hada master Cross sectional Interviews and questionnaires 0.909 C 54 that fulfilled working 27.9) 84.4 craftsman’s certificate, 2.2 % had no completed anxiety criteria professional education, and 0.9 % were still in education 117 Gastronomy/Tour ism/IT/Media(9%) , Production/Techn ology/Manufactur Employees from different professional ing/Traffic/Logisti 55 188 62% 37.97 100% cs/ Natural Sciences (19%), Security/Public/La w/Economy/Finan Cross-sectional Survey 0.909 C settings ces(21%), Social services/Health/E ducation(42%), Other(9%) 56 Male day-shift workers at a chemical factory. 715 0% 44.1 100% Factory workers Survey/selfadministered questionnaires (100%) Cross-sectional 0.864 C Clerical staff/Executive officer Planner Sales representative Technician/Resear Psychiatric outpatients who were absent from work for a long time 31% 40 100% cher Store personnel/Service business Specialist Cohort Survey 0.864 B (POAWs) Financial worker Creative field ITrelated worker Others Medium education or workers (mostly), Employees on sick leave Questionnaires is stress-related 198 75-84,4% 42,2-44,8 100% RCT with regular 1.000 A2 complaints minority of follow-ups academics 118 Low education, 14%) Middle education,(24%) Questionnaires, 59 Workers with common Longitudinal Telephone mental disorders 179 49% 45 100% explorative diagnostic interviews 0.917 C High education, (64%) Low (3.8%) Lower intermediate (36.8%) Higher 60 Respondents aged 25– Epidemiological Interviews (CIDI), 55 of NEMESIS study 3857 50% 38.8 80.8% questionnaires 1.000 C intermediate (29.1%) High study (30.4%) Persons with a current diagnosis of depression and/or anxiety disorder, persons with lifetime diagnosis or at risk of a 61 1876 65.6% 41.3 100% Missing Naturalistic cohort study Interviews (CIDI), questionnaires 1.000 B family history or subthreshold depressive or anxiety symptoms, and healthy controls. Employees with depressive or anxiety 62 1522 59.8- 68.5% 41-43.3 100 Not specified Cross-sectional Questionnaire 1.000 C disorders 119 Interviews (pre- 63 Police personnel treated for PTSD 121 30.6% 38.4 100% Missing Retrospective analysis study and post 16weeks treatment 0.955 B for PTSD) Community and personal service workers 28.2% Professionals 22.8% Managers 11.5% Clerical and Workers with a wage administrative workers 10.8% Labourers 8.2% 64 replacement compensation claim due 8358 56% 44 100% Retrospective Compensation claims data 1.000 B cohort to a work-related MHC Machinery operators and drivers 7.7% Technicians and trade workers 6.1% Sales workers 4.8% Outcome measurements, Semi structured 65 Disability-related benefit claimants 244 55.3% 36-55 Missing Missing Mixed-method 0.955 B interviews 120 38.8 (SD 8.4) GBC 40 (SD 9.5) 48.8% 100% Not specified RCT Questionnaires 66 Dutch police force 240 (GBC) 60% (UC) (DASS/HADS) 1.000 A2 UC Participants who were on sick leave, at risk of going on sick leave or on Primary 7.78 % Senior 31.11% high University/college Randomised controlled multi 67 long-term benefits attributable to common 1193 69.37% 71.77% Questionnaires 1.000 A2 56.03 % Other 4.76% Missing centre trial mental disorders data 0.32% Occupational health check-up 68 Not specified 633 38% ns (all <35) 100% Office workers Longitudinal 0.955 A2 (including questionnaire) 69 1.000 405 (anxiety Medical doctors 70 Physicians 24% of n, PTSD 15%) 52.6% 41 (SD 10.1) 100% and medical Cross-sectional Questionnaire 0.818 C residents 121 71 Not specified 204 76% 42 (range 18-63) 100% Not specified Cohort Questionnaire 0.864 B 21.5% aged 18-29; 36% aged 30-45; 35.4% aged 46-59; 7.1% 59% (working FT High school or less (23.4%); Some college or cross-sectional Diagnostic interviews 1.000 C 72 Primary care outpatients 480 63% or PT outside the more (76.6%) aged 60-70 home) Patients with anxiety Home-makers 8% 73 disorders and nonclinical participants 198 18% 27.66 57% Student 23% Employed 57% Unemployed 12% Cross-sectional explorative study Interviews, Questionnaires 0.955 C 53% middle school, 31% college, 9,4% 74 Employees of large retail enterprise 1652 79% 18-35 years Prospective old mostly 100% cohort intervention study Survey 1.000 B university 3495 were farmers and 25 Cohort study Existing data of population survey 1.000 B 75 Farmers and others 29016 25,7-80% 43 100 521 had other occupations 26.5 (at Not specified Not specified Cohort Diagnostic interviews 0.864 B 76 Not specified 7698 twins 57.90% start of follow-up) 122 Two-armed 60 (63% GAD 58% 42 (range 24-59) 100% Low (12%), middle clusterrandomized pragmatic clinical Self-report on RTW, sickness report from OHPs 77 Not specified and panic (47%), high (38%) 0.958 A2 disorder) trial Occupational grade: 1 (highest)=11%; 2 78 Not specified 2960 22% 52.3 (SD 4.3) 100% = 25%; 3=15%, 4=17%; 5=11%; Cohort Survey 1.000 B 6=10% 220: 131 employees in Employees sick-listed between 4 and 26 weeks the intervention condition and 89 employees 53-77 43-45 100 Mostly lower or 2-armed cluster 79 with common mental middle randomized controlled trial Questionnaires 1.000 A2 disorder symptoms in the control condition Government, high Extractions from General population 53% 45-64 Varying per (24,6%) and low school (38,3%) or unknown (58,4%) interviews according to ICD- 80 General population group Cross-sectional 1.000 C sample 10 Cross-sectional 81 Various occupations 672 (103 anxiety) 64% Not specified all Not specified (adjusted for symptoms of mental illness at Qquestionnaires 0.909 C baseline) 123 Data from the Mettmann Regional Office of 82 Workers with statutory health insurance 128001 33.2 Not specified 100 40.8% secondary Cohort (retrospecive) the AOK Rheinland (a German public health insurance 0.773 B school company). 15.6% college degree, 26.6% 80 Injured persons n = 2707 32.6% 41.8 (SD Not specified some college, Prospective Medical records, 33) 31.9% high school, 25.9% less cohort telephone 1.000 B interview than high school 124
6c Extractie tabel kwalitatieve studies
First author Year Country Aim/Goal Target population Sample size Data collection method Variables assessed Summary of results Total conclusion 1 Bertilsson 2015 Sweden The aim of this study was to explore and describe health care professionals’ experience-based understanding of capacity to work in individuals with depression and/or anxiety disorders. Professiona ls 21 Four focus groups were conducted with 21 professionals from psychiatric, occupational, and primary health care. Data were analysed using inductive content analysis. Capacity to work in individuals with anxiety or depression disorders Capacity to work while depressed and anxious was understood as a change from the familiar to a no longer recognizable performance at work. Managing time, daily work demands, and emotions was described as difficult for the patients, and capacity to work could be fragmented by anxiety attacks. Patients were perceived as continuing to work while life outside work crumbled. Capacity to work was described as part of a greater whole, the work community, and the patient’s participation in the work community was considered problematic. The findings provide a deeper understanding of the reduced capacity to work compared with theoretical or medico-administrative descriptions. Applied to patient encounters it could promote fitnessfor-work dialogues, rehabilitation, and tailor-made work interventions. 125 2 Bertilsson 2013 Sweden The aim was to explore experiences of capacity to work in persons working while depressed and anxious in order to identify the essence of the phenomenon capacity to work A complex and comprehensive concept emerged, not earlier described in work capacity studies. Rehabilitation processes would benefit from deeper knowledge of the individual's capacity to work in order to make efficient adjustments at work. Results can have particular relevance both in clinical and occupational health practice, as well as in the workplaces, in supporting reentering workers after sickness absence. The reduced capacity to work due to depression and anxiety is not always understandable or observable for others, the rehabilitation process would benefit from increased knowledge and understanding of the difficulties experienced at work. Identifying tasks that contribute to "refueling" at work might enhance the success. Rehabilitation programs could be tailored to address the inabilities that impact on the capacity to work 3 Cowls 2009 Canada This research aims to understand how past traumatic experiences influence career choice and workplace behaviour and, given this understanding, consider how occupational therapists can facilitate change towards a successful return to work. People with depression or anxiety 17 FGDs Capacity to work in individuals with anxiety or depression disorders The phenomenon of capacity to work was distinguished by nine constituents related to task, time, context and social interactions. The phenomenon encompassed a lost familiarity with one's ordinary work performance, the use of a working facade and adoption of new time-consuming work practices. Feelings of exposure in interpersonal encounters, disruption of work place order, lost "refueling" and a trade-off of between work capacity and leisure-time activities was also identified. The reduced capacity was pointed out as invisible, this invisibility was considered troublesome. clients with PTSD/depre ssion/anxie ty Semi-structured interviews were used to gather information from twenty-five clients experiencing depression, anxiety or post-traumatic stress disorder. Clients were followed for six months following their planned return to work date. The interview questions explored how experiences of past trauma or negative life experiences influenced their work, and what if any occupational therapy interventions were valued in regards to returning to work. Participants identified reenacting unhealthy past experiences at work through: focusing on the needs of others, seeking acceptance and avoidance. Healthy change was created through engaging in coping strategies and partnering with the occupational therapist and workplace stakeholders on return to work planning To facilitate a successful return to work, clients must become aware of how their traumatic histories play a role in their current career choices and workplace behavior. With this awareness, occupational therapists and clients may work together towards creating healthy change in the present. Haslam 2005 UK The aim of this study was to explore the effects of anxiety and depression and the treatment for these conditions on performance and safety in the workplace. Employees with depression and anxiety, occupation al health and HR 74 Nine focus groups were conducted with employees who had suffered anxiety and depression. A further 3 groups comprised staff from human resources and occupational health. The sample comprised 74 individuals aged 18- 60 years, from a range of occupations. Results were presented to a panel of experts to consider the clinical implications. Participants opinions on effects of anxiety and depression and the treatment for these conditions on performance and safety in the workplace Workers reported that the symptoms and medication impaired work performance, describing accidents which they attributed to their condition/medication. Respondents were largely unprepared for the fact that the medication might make them feel worse initially. Employees were reluctant to disclose their condition to colleagues due to the stigma attached to mental illness. Anxiety and depression were associated with impaired work performance and safety. The authors consider the implications for health care and the management of mental health problems at work. 5 Hees 2012 Netherla nds To examine the perspectives of key stakeholders involved in the return-to-work (RTW) process regarding the definition of successful RTW outcome after sickness absence related to common mental disorders (CMD's) Varied key stakeholder s 57 intervi ews and 178 questio naire First, we used qualitative methods (focus groups, interviews) to identify a broad range of criteria important for the definition of successful RTW (N = 57). Criteria were grouped into content-related clusters. Second, we used a quantitative approach (online questionnaire) to identify, among a larger stakeholder sample (N = 178), the clusters and criteria most important for successful RTW. Criteria most important for a successful return to work A total of 11 clusters, consisting of 52 unique criteria, were identified. In defining successful RTW, supervisors and occupational physicians regarded "Sustainability" and "At-work functioning" most important, while employees regarded "Sustainability," "Job satisfaction," "Work-home balance," and "Mental Functioning" most important. Despite agreement on the importance of certain criteria, considerable differences among stakeholders were observed. Key stakeholders vary in the aspects and criteria they regard as important when defining successful RTW after CMD-related sickness absence. Current definitions of RTW outcomes used in scientific research may not accurately reflect these key stakeholder perspectives. Future studies should be more aware of the perspective from which they aim to evaluate the effectiveness of a RTW intervention, and define their RTW outcomes accordingly Jansson 2014 Sweden This study aimed to describe how individuals experienced interventions and the impact the interventions had on the individuals' ability to work and perform other everyday activities. Employees with CMD 14 interviews The questions focused on (a) their experiences from the intervention, (b) if and how the intervention had affected their ability to work, and (c) if and how the intervention had affected their ability to perform other everyday activities. The analysis revealed one overarching theme: "Reaching safe ground or continuing to seek help". Four categories were identified: "From being passive to making one's own efforts in the rehabilitation process", "Being stuck on a treadmill or daring to change", "Evolving from routine to more aware behaviour", and "Fitting in or not fitting in with workplace situations". According to the participants, experiences from both PBM and CBT had a positive impact on their ability to work and perform other everyday activities in a more sustainable way. Reflecting on behaviour and achieving limiting strategies were perceived as helpful in both interventions, although varying abilities to incorporate strategies were described. In general, the results support the use of active copingdeveloping interventions rather than passive treatments. Lemieux 2011 Canada This study aimed to investigate the perception held by supervisors involved in work disability management, of the factors facilitating or hindering the return to work of workers with common mental disorders Supervisors / employers 11 Semi-structured interviews were conducted of supervisors. All subjects had experience with the return to work of at least one worker who had been off work due to a common mental disorder (i.e., anxiety, mood or adjustment disorder). Content analysis of the transcripts was performed. Factors affecting return to work A total of 11 supervisors from large and medium-sized companies participated in the project. Twenty-four factors that could hinder or facilitate the return-to-work process were found and classified into three main categories: factors related to the worker, work context, and return-to-work process. This study brought to light several factors influencing the return to work of workers with common mental disorders. Most of the supervisors interviewed were very open to finding ways to facilitate the return to work of these workers, but felt that the interventions used should take both their perspective and the constraints they face in the workplace into account. Martin 2015 Denmark The aim of this paper is to identify barriers and facilitators for the implementation of a coordinated and tailored RTW-intervention implemented at three different sites. People on sick leave in municipatili ties 213 Individual and group interviews, observations, national registers, and documents from the intervention Barriers and facilitators of a RTW intervention The quality of the implementation varied greatly across the three settings. Barriers included lack of skills to assess MHPs according to the inclusion criteria, different interpretations of sickness absence legislation among stakeholders, competing rehabilitation alternatives, and lack of managerial support for the intervention. An important facilitator was the motivation and availability of resources to solve disagreements through extensive communication. The different settings presented various barriers and facilitators, which resulted in different versions of the intervention. A higher degree of user involvement in the design and development phase is likely to improve the implementation quality of future interventions Nielsen, 2012 Denmark Explore how women with MHPs experience sickness absence and subsequent return to work Women with MHD 16 interviews Open ended interviews about key events and interactions with HCWs, family, friends, supervisors, social insurance providers and colleagues outlook on a future work life was affected by their perceived work ability, possibilities on the labor market, and wishes for a future work life.While struggling at work, the women thought that their colleagues and supervisors interpreted RTW as a “return to a normal everyday life” Despite the potential healing process, RTW constituted a dilemma, because the women feared relapses, especially when returning to working conditions that they thought were detrimental to their health. Moreover, even though sickness absence negatively affected their selfesteem, resuming work did not automatically lead to an improved self-image or selfesteem. The core of the experience was not the return to work but a process of healing a vulnerable self—the ability both to refocus attention from symptoms to other life goals and to maintain or reconstruct a positive self-image. Supportive health care and acknowledgment from others facilitated the healing process. Noordik 2011 Netherla nds Objectives were to describe the barriers to a full return to work, solutions, communicating to the working environment and the aim of a full return to work, all as perceived by the workers Workers who had partially returned to work and were partially on long-term sick leave due to a stressrelated, anxiety or depressive disorder 14 Interviews Barriers to full return to work, solutions to these barriers, communication with working environment, and aim of full return to work The perceived main barriers were: inability to set limits, recognise exhaustion and to control cognitions and behaviour such as perfectionism. A general pattern in the process was that all workers perceived barriers to a full return to work; most workers were able to mention solutions; all workers aimed for a full return to work, and after some time all workers were met with sufficient understanding and social support from their supervisor and health care professional. However, hardly any worker intended to implement or utilise the solutions at the workplace, except the structural adaptations of the work demands. The pattern we found suggests a critical intention–behaviour gap between solutions and intentions for a full return to work and its implementation at work. This implies that we should develop new interventions that focus on helping workers and their environment to bridge this gap. Reavley 2012 Australia The scientific evidence for how organisations should best support those returning to work after common mental disorders is relatively limited Three panels of Australian experts (66 health professiona ls, 30 employers and 80 consumers) were recruited and independen tly rated the items over three rounds, with strategies reaching consensus on importance written into the guidelines 66 health profess ionals, 30 employ ers and 80 consu mers 3 rounds of rankings from an expert panel Rankings by expert panel of statements about supporting those returning to work Guidelines can be found in a sepaprate file The guidelines outline strategies for organisations supporting those returning to work after common mental disorders. It is hoped that they may be used to inform policy and practice in a variety of workplaces. Steingrímsd óttir 2015 Germany The purpose of this phenomenological study was to explore people’s experience of reduced working capacity and their encounters with professionals in that life situation Individuals with reduced work capacity 8 In-depth interviews Client's perspective on career counselling services following RTW All the participants had been ill or had experienced an accident that took them from their daily activities without warning. They all needed to give up working for a period of time because of their health problems. On the participants’ proverbial rollercoaster ride from sickness or accident to recovery, they experienced uncertainty, depression and anxiety as well as how damaging undesired social isolation could be. They also experienced fear and stress when they had to deal with reduced working capacity. Their loss of important roles and social relationships exacerbated their vulnerability. When the interviews took place, more than 2 years had passed since they had fallen ill. T The main finding of the current research is how illness and accident impairing work capacity exacerbate vulnerability during the recovery process as people experienced uncertainty, depression, anxiety, social isolation, fear and stress. We conclude that counseling and support from respectful, professional, caring and human professionals is extremely valuable in such a context. Stjernswar d 2013 Sweden The aim of this study was to explore a supportive program’s meaning for women with anxiety/stress/depression problems that are unemployed and/or on a sick leave, and for the personnel involved. Women with mental health problems and therapists and coaches 8+5 interviews and content analysis Women's opinions on program aimed at helping them through the rehabilitation process initiative aimed at young women with health and occupational issues appeared to be meaningful for all parties involved The program appeared to provide participants with tools to handle their physical and mental health, and occupational support, improving their social situation. Collaboration between organizations appears to be beneficial for all parties involved. 133
Heb je een vraag over deze richtlijn?
Rechtswijs kan je helpen begrijpen hoe deze richtlijn van toepassing is op jouw situatie.
Stel je vraag